Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 140 3

jbioem, de Balzemijn was. (g) In de Bosfchaadjen vond ik een zonderling , naa eene Aloë zweernend Gewas, (h) Deszelfs bladen zijn omtrent drie ellen lang, en drie duim breed , en op de wijze der meeste Aloën gevlakt. Het is vol takken; de meeste fchieten, in een regten hoek, van den ftam uit. Doch de e'én verheft zig boven de overigen,en fchiet juist als een palmboom in de hoogte, hebbende menigmaal wel een' voet in de middelijn: ik was zo gelukkig niet, van 'er een in den bloeij aan te treffen. De Palmit CJ) is hier in eene groote menigte, desgelijks een bijzonder foort van Cocusboomen, wier pit, een' taamlijk aangenaam amperen fmaak, en een' reuk als de Mammeinen (k) hebbende, men pleegd te eeten. Daar zijn gemeenlijk twee of drie fteenen in, de gedaante eener Nier hébbende, en digt met vezels bezet, welke de vrugt eenigzins onaangenaam om te eeten maaken. De Gember, zo wel de echte, (/) als de onechte, Cm) vond ik hier, in de dikke bosfehen bij menigte.

Dit

C^") Imparttens B.alfamina linn.

CA) An Pandanus odoratisfimus linn.j^/.

CO E/ais guineenfis linn:

CO Mammea americana linn.

C /) Ammomum Zinziber linn.

C«O Ammonium Zerumbcr linn.

Sluiten