Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 153 3

menfchen-arm. De grond haarer kleur is graauw, maar overal is ze met geele en bruine vlakken getekend. Zij fchijnt het te vveeten, dat haar niemand eenig leed zal doen; weshalven zij onbevreesd in aile huizen komt. Zij is een werklijk onfchadelijk Dier, het welk nooit iemand kwaad doet. Toen ik eens alleen in den tuin van het Fort wandelde, zag ik e'e'ne derzelve ondereen' boom in een gekronkeld flaapen. Ik vermaakte mij hartelijk over deze ontdekking, bezag ze eenige oogenblikken metverrukking, en ftond juist in beraad, om eene fles te haaien, en ze in den fpiritus heimelijk te kunnen bewaaren. Tot mijn zeer groot misnoegen kwam, ten zelfden tijde, een Neger en werker in den tuin, ziende, even als. ik, de flang gevallig liggen. 'Nu was 't met mijnen buit gedaan. Aanftonds liep hij fchielijk den tuin uit, en kwam, weinig tijds daarna, met een Fetispriester weêrom. Deze, toen hij die flang zag liggen, viel, zo lang als hij was, met zijn aangezigt op den grond, kuste de aarde driemaal, fprak eenige woorden binnen 's monds, haalde zijn' lijfgordel vast toe, op dat die tog niet los mogt gaan, nam, zo behendig als hij kon, de flang van den grond, en ftak die in den gordel , zo dat ze niet eens wakker wierd, en droeg haar in den Tempel, alwaar men altijd eeten en drinken voor dezelve in voorraad houd, het zij ze kome en eete, dan niet. Tot de meer vreemde opogtcn, die ik te Fida K 5 zag,

Sluiten