Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 347 >

moet hier aanmerken,dat de Negers,hoewel eene onbefchaafde Natie, ongemeen veel van plegtigheden houden, om welke in agt te neemen zij liever honger en dorst willen lijden, dan deze uit het oog ftellen. Het compliment bij het ontvangen beftaat eigenlijk daarin, dat de inwooners de begroeting zittende aanncemen-, en naa dat de vreemdeling plaats, heef* genomen herhaalen zal hunne begroeting, alle naa. malkander volgens- den rang, zo dat zij oprijzen in een* kring, de vreemdelingen groeten, en, driemaal voorbij gegaan zijnde, dan weêr gaan zitten.

Men bragt mij' terftond landvrugtcn, in ververfchingen beftaande, welke ik met Europeefche moest beantwoorden. Den volgenden morgen vervolgde ik mijne reis.# Het was heden, als gisteren, dezelfde ongebaande weg. Onderwegen kwam ik aan de volgende dorpen: Tiasfo, Schentema, Tutu, Mampon, Otakij, Manna en Man/eng. In het laatfte legt een hoofdman» des Konings van Asfianthee, die het ampt van Tolmeester bekleedt, welken tol de zwarte flaavenhandelaars verpligt zijn hem te betaalen. Men heeft dien tol hierheen verlegd, orn dat alle wegen van Asfianthee en Akim hier zamen loopen , wanneer men na den zeekant wil.

Over Schentema is een Fetispriester de Kabosfiër. Dezen bedriegeren is het geen werk, wanneer zij eenigzins in aanzien zijn, om groot <2 4 e *

Sluiten