Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 3*5)

Aanftonds wierd die Neger weêr afgezonden, om mij nolens volens (willende of niet willende) bij de Mevrouw te brengen. Ik ging. Onderwege deed die Neger ongemeen veel moeite, om mij te beduiden: dat de plantagie den Ridden P... toe» behoorde, en dat het Mevrouw P... was, die mij begeerde te fp reeken. „ Monfieur, quel eft,

que vous fait dans ma habitation la ? " zeide zij, toen ik bij haar kwam: „ je fuis Botaniste, Mada* „ me, & perfuadez vous voulez excuftr ma Ubertê, „ pour faire une ramasfe des plantes pour vous inu„ tile;" hier floeg ik mijn kruidboek open, en toonde het haar. „ Avez vous y la permisfion du „ Monfieur dcClugnij ?" Mijn antwoord was :,, out „ Madame de tout le Confeil" Zij fcheen over haare nieuwsgierigheid befchaamd te worden, maakte eene diepe buiging, en verliet mij. Terwijl ik den berg ftedewaarts na beneden wandelde, en mijne aanmerking over dit nieuw geval maakte, vervolgden mij de oogen dier Mevrouw nog geftadig. Misfchien dagt zij, is het nogthans een Spion, die de ftreeken onzes eilands moet optekenen, gebruikende de kruidleezing flegts tot een dekmantel der verraaderij; en daaromtrent konde ik haar zo zeer geen ongelijk geeven, wan-* neer ik naging, dat het nog niet lang was geleeden, dat de Engelfchen zig van dit eiland meester gemaakt hadden.

Op een anderen dag deed ik een togtje na eene plantagie van den Heer Detsmarrais Gaudet, een

vier-

Sluiten