Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5^ DB BURGERVROUW, MOEDER»

'k Wist naauwlyk wat ik zou beginnen;

Myn man kon pas het kosje winnen, De Weefgetouwen ftonden ftil;

Maar 'k dagt: waarom zou ik my kwellen ?

Kan God niet alles weêr herftellen? 'k Weet immers dat Hy 't beste wil.

De hoop heeft my ook niet bedrogen;

God zag op ons met gunftige oogen Myn man kreeg werk in overvloed;

Ik werkte by de rijke lieden,

En door de ledigheid te vlieden, Wierdt al dat nadeel rasch vergoed.

Het tweede jaar kreeg ik een kindje, Toen zei ik tot myn man: „ Zie, vrindje.

„ 't Uithuizig zyn dat's nu gedaan

„ Het fchaap by vreemde liên te geven, „ Kan, dunkt my, met geen zuinig leven,

„ En ook niet me. myn pligt bellaan.

Hy

Sluiten