Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8 DE BLYDE VROUW.

o, Wat heeft hy in zyn dagen, Wel gezorgt voor my, en haar!

Vader wierdt ons vroeg ontdraagen; 'k Ging pas in myn vierde Jaar.

Zy woonde op eene agter kamer, Eenig, hulploos, oud, en zwak;

Wierdt hoe langs hoe onbekwamer, En hadt geen het minst gerak.

Wou ze iets tot verkwikking fmaaken, Zy zag tegen d' omflag aan;

Hadt geen lust om 't reed te maken, En zy liet het meest al ftaan.

Wasfchen, plasfen, fchrobben, fchuuren , Was in lang haar werk niet meer.

'r Is wel waar, haar onder-buurcn Liepen zo wat heen en weer,

Schud*

Sluiten