Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ï5E REDELYKE MINNAAR. I57

De liefde is vry; wie kan haar dwingen? Maar dat ik naar uw gunft blyf dingen,

Dat kunt gy zelf my niet beletten, *k Ontfang, in dit geval, van u geen wetten; Gy kunt, ö ja, my wel ontvliên, Maar u te minnen, nooit verbiên.

(Da Capo.)

Myn' liefde ruft op deugd en reden, o Schoone maagd, Die my behaagd, Om uw' beminnelyke zeden! Ik ken, ö ja, het zoet vermogen Van uwe fchoone, uw' fchrandere oogen,

Maar zou ik u zo zeer beminnen, Behaagde gy alléén aan myne zinnen?

Neen, fchoone, 'k ftapte uit uwen kring: En weg was de betoovering!

(Da Capo.)

# DE

Sluiten