Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 16 )

ftandvastigheid en gelaatenheid , en. met vermaning aan zijne getrouwe Onderzaaien t (dus wierden de Nederlanders genoemd) om hun vertrouwen te (tellen op den Goddelijken bijftand en 'op den Prins van Oranje, (eopulative,^) gelijk dit alles breedvoerig in dit Lied vermeld (laat; Welk Lied met het beeldtenis van dien Vorst boven aan terltond onder het Volk alomme verfpreid wierd, en op juichend muzijk gebragt zijnde, van een eigent» lijk die Vader Willem was toegedaan, met luide keelen gezongen. Trouwens dat diergelijke middelen van Liederen ondet het Gemeen te (trooijen ter vertroosting en opbeuring in tijden van benaauwdheid wel eens meer gebeezigt zijn, weeten wij bij ondervinding, Mijne Toehoorders; Herinnert u 't geen gij te meermaalen gehoord hebt:

Al is ons Prinsje nog zoo kleyn Hy zal nochthans Stadhouder zyn.

cn 't geen 'er meer volgd (*;.

Dan om weder te keeren tot mijn Wilhelmus: Uit dit betoogde kunnen wij nu vastftelien, dat dit Lied gemaakt is in den Jaare 1568, naa de

mis-

(*) Men zou hier kunnen bijvoegen, dat wanneer 's Hertogenbosch op den oOftober i/94aandeFranfchen bij capitulatie is overgegaan, hetllollandsch Guarnifoen is uitgetrokken onder het (laan en fpeelen van Wilhelmus van Nasfouwen,ten blijke van hunne verkleefdheid aan den Prins van Oranje, offchoon zij voorde Overwinnaars de ftad moesten ruimen! — Ik beken, de zucht is groot!

Sluiten