Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 151 )

om de ftrafbaarfte licentie te verdedigen, ten uiterften gevaarlyk en nadeelig zyn, wyl het in den grond onloochenbare, ja onwrikbare en slle?heïU zaamfte waarheden zyn, die onder de nodige en rechtmatige bepalingen niet fterk genoog kunnen gehandhaafd worden, doch die met alles wat goed en nuttig is gemeen hebben, dat zy op de grofüe wys misbruikt en tot de flcchcfte cindens dienftbaar kunnen gemaakt worden.

En als "de Libellift dan door deze en menigvuldige andere kunftgrepen het publiek een rad voor de ogen gedraaid, en hetzelve verblindt heeft voor het gevoel van zyn fchuld; dan zoekt hy nog daarenboven, gelyk ik gezegd heb, in plaats van het nadeelig vooroordeel tegen hem , 't geen hem gelukt was uit te wisfehen , integendeel een voordeelig vooroordeel voor zich te doen ontftaan. Er} deze taak , hoe moeilyk men ze in den eerften opflag zou oordcelen , is wezentlyk echter de gcmakkclyk.te. Dan dient hem vooral het opgemerkte door Tacitus : matigiitati fufam Jpeciem iibertaüs , adaiathm foadum cri-nen jervitutis inesfe. En gevolgdyk 'childert hy zich zelvcn, den .berhper, den lafteraar der machtigen , den leugenaar en lagen belediger, integendeel af als een belangelozen getuige, ais een cdelmoedigen voorftander, als een glorieryken ms nelaar van vryheid en waarheid. Eu al het volk , die in hem zynen N ver-.

Sluiten