Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D E

GODSDIENSTVRIEND.

(Vervolg van N°. 37.)

Zo dan de (vreemde) taaien zijn tot een teeken, niet den genen die gelooven, maar den ongelovigen.

1 cor. XIV: 22.

HET OOGMERK VAN DE GAVEN DER TAALEN ENZ. OP DEN PINKSTERDAG.

Wij zullen thands onzen lezeren, bij hetgeen wij van den letter der gebeurdenis op den pinksterdag gemeld hebben, nog twee aanmerkingen mededeelen.

De eerfte is: den Apostelen en de overige vereerers van jesus, is de wondergave der taaien niet voomaamlijk met dat oogmerk medegedeeld, om aan allerlei volken het euangeli te kunnen verkondigen. De meeste uitleggers

hebben echter het tegengeftelde emhelsd en door mond en pen alomme verkondigd.

Wij willen wel niet ontkennen, dat dit tevens het oogmerk van deze mededeeling kan geweest zijn,maar zouden ditniec als het eenigst en voornaamst, oogmerk aanmerken. —■— Laat ons hier over de Heilige Schriften met aandagt onderzoeken, en wij zullen het waare'oogmerk van deze mededeeling'wel haast ontdekken. marcus tekent in

zijn euangeli (*) aan, dat jesus zijn vereerers beloofd heeft, dac ze met nieuwe tongen ,dat is, met vreemde taaien fpreken zuilen, maar deze befchouwt hij niet als een middel, waar

door

(«) Marc. XVI: 17.

II. deel. PP

Sluiten