Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 3«2 )

lc-n inbiaazen? en kan zij dit doen, niet aan een, maar aan veele duizenden, die bunne dweperij van den eerden ontvangen? Zie daar, dunkt mij, een bewijs zoo derk, als een bewijs van zulk eenen aard wezen kan.

Maar hebben deze wonderdaadige gaven waarlijk bc ftaan? Is men zeker, dat de christenen van laater eeuwen om hunnen godsdienst des te meer aanzien te geven dat al, les niet verzonnen hebben? Mij dunkt, dat de minfte redeneering voldoende is, om hier omtrend allen twijfel weg te nemen.

Men vindt buiten de Handelingen der Apostelen, in de meeste Zendbrieven van deze wonderdaadige gaven eene omdandige befchrijving. Wij wilien ons thands alleen tot den aangehaalden eerften brief aan den Corinthers bepaalen, alwaar de H. paulus, bijzonder in de twaalfde, dertiende en veertiende Hoofdftukken , breedvoerig ovef den aard , het gebruik en het nut dezer gaven handelt. Hadden nu deze gaven niet bedaan, zou dan paulus zoo uitzinnig en zoo onbefchaamd geweest zijn van, in eenen brief aan de gantfche gemeente van Corinthe gefchreven, haar te onderrigten aangaande eene zaak, waar van niets beftond? voorwaar was paulus dus te werk gegaan,hij hadt gewis op eens al zijn gezag verloren , den naam van eenen dwaazen bedrieger verworven, en zijn brief was als een uitzinnig duk verworpen. Maar paulus behoudt zijn gezag; zijn brief wordt ais een godlijk duk in de gemeente aange* nomen, bewaard en geëerbiedigd: wat twijfel is'er dan, of deze wonderdaadige gaven hebben werkelijk bedaan?

Zoo wel de fchriften der Joden als der Heidenen , hebben

deze gebeurdenis bevestigd. Bij josefus en taci.

Tus (*) meent men hier van iet te vinden, maar jes-

tinus de martelaar (f) en eusebius C§) vernaaien ons uitdrukkelijk, dat de voorzeggingen, de geruchten, de openbaringen van verborgene zaken zeer gemeen waren, onder de eerfte christenen. Hier bij moeten wij u vooral

me-

C') Ver?, bjhelsvelijs Bijb. verd. VI. D. bl, £2. (f) ln Dialogo cwn T R [J p u o N E p. 3C8. fj) ffitt. £cclef. L. 5. C. 17.

Sluiten