Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 303 )

Hiededeelen dat philostratus, wanneer hij bezig rs, om apollonius den Thuaner te befcbrijven, als eenen wonderwerkenden man, die voor christus en zijne Apostelen geenszins behoefde onder te doen, aan dezen zijnen held, de kennis van alle taaien der menfchen , zoo wel als der dieren, hebbe toegeëigend. (*) Dit verdichtzel, zeg ik, is geen gering bewijs voor de waarheid dezer gebeurdenis: want het oogmerk van philostratus was geen ander, dan om de christenen het bewijs te ontrukken, het welk zij voor de waarheid dezer leer opmaakten uit de gaaf der taaien, welke aan den Apostelen op eene wonderbare wijze was medegedeeld; en wat veronderfleld dit anders, dan baarblijkelijk dit, dat zelfs de vijanden der christenen niet hebben kunnen en durven lochenen , dat de Apostelen met deze gaaf op eene wonderdaadige wijze zijn vereerd geworden.

Laat ons het befluit opmaaken —— de wonderdaadige gaven van den H. Geest, waar van lucas en paulus gewaagen, hebben dan plaats gehad; nu, zijn wonderwerken teekenen, waar door de Godheid aan een gezegde, aan eene leer haar zegel hangt, bijgevolg heeft God zijn zegel gehangen aan de leer der Apostelen, en dus is die leer waarachtig - ' Goddelijk.

Wij achten het onnodig om de zouteloofe fpotternijen

Van bah rot, chubb,damm, morgan, en den fragment sc 11 rij ver over deze gebeurdenis te wederleggen; ook is dit reeds bondig door den Hoogleeraar hamelsveld, in het aangehaalde werk, gefchied; (f) weshalven wij derwaards den Bijbelminnaar verzenden.

Zie daar dan de vervulling van jesus belofte. «--—. De Trooster is gekomen, de Geest der waarheid nedergedaald, de kerk geen wees gebleven. Deze kon niet komen, zo jesus niet weg ging. Ja was deze niet gekomen, een Thomas mogt getwijfeld hebben, waar jesus gevaren was, of het gantfche ftuk geen bedrog of begoocheling der zinnen geweest zij; men hadt veelligt de meetle discipelen, die buiten twijfel nog al met de gedachte van een aardsch

ko-

(•") PHILOSTRATUS <fe V/'tó APOLLONII I. I. C. 13 en

E u s e e 1 17 s Contra Hierodem. p. 521. CtJ UI. <>i 108.

Sluiten