Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C3I6 )

dit is dan nog geheel vreemd. Nog iets. Lompe menfchen zijn doorgaans 't minst gefchikt om vreemde taaien te leeren. Denk nu aan de Apostelen — Visfchers — — die meer met weer en wind gewoon tvaren omtegaan, dan met menfchen, — lompe Galileërs , van welken ieder meende dat 'er niets goeds van worden kon. — Zulke menfchen fpraken in een oogenblik zoo veele taaien! . Of zou iemand aan zulk eene gebeurdenis twijffelen mogen om dat bij dezelve niet begrijpen kan? Hoe ongelukkig! God moet dan niets doen noch doen kunnen, of wij moeten het kunnen

begrijpen! — Weg dan eb en vloed! Gij beftaat niet,

al meeuen wij u te zien! Neen! Gij beftaat niet, dewijl de grootfte wijsgeer u nog niet begrijpen kan.

Hoe groot, hoe Godlijk nu dat wonderwerk is, zoo zeer is het ook nodig, dat men zich daarvan geene verkeerde en ongerijmde denkbeelden maakt. ■

Wie weet of niet menig eenvoudige zich van het fpreken dier vreemde taaien door de Apostelen dit denkbeeld heeft gevormd, als of zij allen te gelijk allerlei taaien door een of na malkander fpraken? Intusfchen hebben wij de zaak op

deze wijs te begrijpen. De verbaasde joden , welke

door het ijslijk geluid, 't welk gehoord was,' zeer ontfteld waren; komen bij de Apostelen en deze fpreken de menigte

op deze wijs aan. Zij mengen zich onder het volk.

De ééne Apostel fpreekt met dezen Jood in die de

andere Apostel met een anderen Jood in geene taal. Het

zeggen der Joden hoe hooren wijze een iegelijk in

enze eigen taal in welke wij geboren zijn — heeft dan dezen zin: niet dat alle de Joden te gelijk dit uitriepen: Maar een Parther en Meder zeide: „ Ik hoor ze mijne taal fpre„ ken.^ Een van die menfchen fprak mij in mijne taal

„ aan." Een Elamiet zegt ook: „ In mijne taal werd

„ ik zoo even insgelijks van hun aangefproken." — Zoo

gaf elk aaugaande de Apostelen getuigenis. Hier

uit begrijpt zich nu ook van zelve, dat men in het overwegen van die naamen, welke hier opgenoemd worden

Parthers, Mcders en zoo al meer . niet onderzoeken moet, waar lag die en die landftreek? Wij

hebben ons wel eens verwondert, dat fommige Leeraars zich vermoeiden om op te geven, waar aan de opgenoemde volkeren ten Oosten, Westen, ZuiJen en Noorden grensden. Indien dit al noodzaakiijk geweten moest worden, zouden wij elk Jiever raaden eene landkaart in de hand te nemen, dan dat wij zijn geheugen in eens zouden overlag-

Sluiten