Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C S3i )

gaans famenkomst, vergadering. En waarom zouden wij'daar bij dan niet denken aan eene Vergadering van Rechters, welke in asaph's tijd plaats greep en waar van hij elders fpreekt ? — De zin is in beide gevallen dezelfde en komt hier op uit:' „ Als ik ook een plaats in de Vergadering der Richters 'zal verkregen hebben, zal ik de gerechtigheid nauw" keurig uitoeffenen". — Dat wij diernalven hieraan geen koningtijk ambt en zo ook niet aan david moeten denken, behoeft geen nader bewijs.

Vs. 4. Het land en alle zijne inwooners waren verfmolten: 'maar ik hebbe zijne pijlaren vast gemaakt. Sela.

De één vertaalt het woord verfmolten zijn door dobberen, drijven (*). Een ander door beeven, ftdderen, 't welk op een aardbeeving fchijnt te zien (t)« Een derde heeft van een eèjcheiden (§). Wanneer wij het beftendig gebruik van het woord in onzen Hebreetnsfchen Bijbel nagaan , dan betekent het iets, V welk vergaat, verdwijnt, even gelijk iets, 't welk wegfmelt. — Wij moeten door Aarde hier het Joodfche hand verftaan, gelijk deze betekenis van het woord bekend

is> Het eenvoudige denkbeeld is dan dit: „ door dien de

'Richters geen recht en gerechtigheid handhaven is het " land aan het verval geraakt, en teffens de inwooners van " 't zelve". Uit de volgende uitdrukking blijkt, dat 'er ge> zinfpeeld wordt op een gebouw (*), welks pijlaren vergaan zijn en dierhalven ftaat in te ftorten. —

De twede uitdrukking heeft men doorgaans zeer verkeerd in den voorledenen tijd vertaald. Het toekomende ftaat 'er letterlijk en dit vordert de famenhang vooral met het vorige vers. In dien zin vertaalt ook één Geleerde (|), offchoon Hij daar in dwaalt, dat hij het enkelvoud aanneemt bij het woord pijlaren. — 'Er wordt van pijlaren (in het meervoud) gefproken, gelijk de huizen der Oosterlingen daar van ook doorgaans wel voorzien waren (ft)- as aph verklaart— hij zou de pijlaren, de fteunfels van 't land herftellen, vast-

maaken, en wel door recht en gerechtigheid te oeffenen

Vs. §. Ik hebbe gezegt tot de onzinnigen : en weest niet onzinnig: ende tot de godloozen : en verhooget den hoorn niet.

Van dit vers af aan verklaart ASAPHdat hij als een getrouw bejlrafer der verkeerdheden, zich had gedragen en beftendig gewaarfchouwd had. Dit diende ten bewijze, dat hij de man was, welke ook voor recht en gerechtigheid zou durven ftaan,

Hij

f *) Fluctuare, uti veneka. Ct) s'o m 1 c h a ë l i s.

C«) O a T H li. C.) H°c i°m I""1"'1- l U f f,t B'ljttl. Opfl. tl, l»7. , (40 dathe. Ctt) Conf. LürFT /. /.

ït 2

Sluiten