Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 334 )

heft. Hoe komt Oosten en Westen hier dan te pas. . rje

woorden hebben die batekenisfen ook geheel niet of zeldzaam. —- Het woord door Oosten vertaald, heeft nergens die* betekenis. Het wordt beftendig door uitgang vertolkt, o-elijk deze ook de waare betekenis is: en dan komt het vo'or van den oorfprong van iets, bij v. zijne uitgangen zijn van ouds (*). Dierhalven is de zin der eerfte uitdrukking: "Er is geen

rede om zich te verheffen op zijnen oorfprong, afkomst

Het twede woord betekent zeer dikwerf in het O.T. handel bedrijf'en koophandel. Wat men verkieze, de zin is dezedat 'er ook geen rede is om zich te verheffen op zijnen handel, op zijne bedrijven, waar door men zijn jland, of voorfpoed kan verftaan. — Het laatfte woord wordt in onze Nederlandfehe Overzetting ook vertaald door fprake (f). Ieder Taalkundige weet, dat die betekenis allernatuurlijkst aan het woord eigen is. Wij hebben dan hier dezen zin: 'Er is insgelijks geene reden om zich te verhoogen op zijne welfprehendheid. — Nu behoeft elk het volgende vers maar te lezen , om te voelen, hoe keurig op deze wijs alles famenhangt.

Vs. 8. Maar God is Richter: hij vernedert dezen en verhoogt genen. — Het woord Richter, is een werkwoord 't welk betekent oordeelen, gelijk een rechter doet. De zin is in verband met het voorige vers deze: „ God rekent niet „ op afkomst, ambten, bedrijven, welfprekeudheid. Neen! „ hij de rechtvaardige, de onpartijdige Rechter ftoot den „ eenen, die in hoogheid gezeten was, van zijne hoogte „ neder: en den anderen, op welken men geen acht floeg „ ftelt hij in eere."

Fs. O. IVant in des Heeren hand is een beker, ende de wijn is beroerd, vol van mengelinge, en hij fchenkt daar uit: doch alle godloozen der aarden zullen zijne droefemen uitzuigende drinken.

De eerfte uitdrukking, welke hier voorkomt, is duidelijk genoeg. — In Gods hand wordt gezegd een beker te zijn. —. Dat alles zinnebeeldig is, begrijpt de eenvoudigfte zelfs. Het zinnebeeld is ontleend van den drinkbeker, welken een Gastheer rond laat gaan en waar uit hij elk zijn deel toebrengt. Daar uit verftaan wij de uitdrukking — het deel haares bekers (§). 'Er wordt door afgebeeld, dat God het is, welke iemand toezendt het gene hij verdiend heeft. — Hij dan heeft den beker in zijne hand om allen daar uit te drenken; — alle krijgen daar uit een teug, en de godloozen krijgen den droefera ; — uit dit oogpunt moet men het geheele vers befchouwen,

ge:

C') Mlch. V: i. Ct) Hoogl. IV: 3. CS) PA XIs 6. en XVk 5. ,

Sluiten