Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 335 )

jelijk wij de uitdrukkingen nog wat nader zuilen ophelderen. De twede uitdrukking (volgends de Nederduitfche vertaa-

]jng ende de wijn is beroerd) vertaalt men (*) de wijn

gist,bruischt op. Anderen,de wijn is donkerrood (j-). Wanneer wij den oorfprong en het gebruik van 't woord nagaan, dan is 'er geene rede om hier te denken aan een wijn, die nog vol gift is van de eerjle of twede aflappinge, gelijk een Geleerde zegt (§). Die kundige bereiding kenden de Oosterlingen niet: de wijn werd geperst en aanftonds in potten of Iedere zakken gedaan. Het woord betekent dicht maken ("„), vuil zijn,gelijk het zo van een aangezicht,door weenen befmet voorkomt (£). Dierhalven duidt het ons in 't gemeen troebelen wijn aan , gelijk twee Geleerden (**) ook vertaaien.

En zo was al de wijn in 't Oosten.

Vol mengeling, gelijk onze Vertaalers hebben, levert geen goed denkbeeld op, offchoon de vóornaamfte Geleerden het daar mede nog eens zijn (***> Wij brengen het woord vol tot de twede uitdrukking, zoo dat 'er ftaat: en Qde beker) is vol dikke troubele wijn. — Het woord mengelen zou hier alleen voorkomen, terwijl het anders een werkwoord is, 't welk eigen is aan het gereedmaaken van den wijn, 't welk beftond in denzelven aftefchenken. — Zo moet men 't ook

hier nemen. Dit zal duidelijker worden wanneer wij nagaan,

dat 't woord door fchenken vertaalt, hier niet te pas komt, waarom een Geleerde (§§) vertaalt — hij biedt die aan» Men fchenkt toch uit geen beker. Ook bevalt de geleerde vertaaling van een groot Man niet (§§§), welk het verftaat van de verhitting, welke het gift het lichaam aanbrengt. Het woord betekent vloeien en hier doen vloeien, 't welk allernatuuilijkst zegt, doen drinken, te drinken geven. Men zou alles eenvoudig verftaan hebben, indien men het geheele vers niet op de Godloozen had willen toepaslijk maaken. Ondertusfchen leert het voorige vers, dat 'er gefproken wordt van Gods onderfcheiden handelwijs. In 't gemeen is 'er dan, in Gods hand een beker vol troebelen wijn, gelijk al de wijn der Oosterlingen is: (zij mogen toch de ergfte moer wegwerpen: maar hun wijn is altoos onzuiver) God handelt, gelijk een Gastheer , die voor zijne gasten den wijn gereed maakt, af fchenkt (ttt) En zo gaf God dien te drinken aan zijne lievelingen.

Nu

(*} Efttlv.it feimentefcit, schblt. in fob. p. tcZ envEKHHA. (+) MlCHAëLIS. (§) 1 U F F T Eijb. Oph. p. 83. (,) Zo sis toclijmtn Exod. II: 3. f+) Job XVI: 16. (**J H armer Waarn. tver 'l O- II. D. bl. 154. cn L O w T H uber Jes V. 22. (*'*} viNlWi. (§§) MlCHAëHS. C§§§) A. SCHULT. Orig. p. 34<S«

ifi^Spr. IX: 2,5.

Sluiten