Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(330

Nu volgt van de Godlodfeen : zij krijgen den droesfem, eigenlijk naar den oorfprong van 't woord 't overblijffel. Daar bij ftaan twee werkwoorden: 't eerfte betekent niet enkel uitzuigen: Neen! 'tbetekent eigenlijk uitdrukken (-). Zij zouden den droesfem uitdrukken, •t zij met de handen, 't zij met de lippen en zo drinken. Zulke wijn is hoogst verderfelijk en bevangt Cf).

Vs. 10. Ende ik zal 't in eeuwigheid verkondigen : Ik zal den God Jacobs pfalmzinsen.

Dit vers heeft geen opheldering noodit;. Alleen zouden wij 'er niet vreemd van zijn , dat 't woord in eeuwigheid tweemaal moest herhaald worden op 't laatst van de eerfte en in 't begin van de twede uitdrukJting. Dit vers flaat op het 2, alwaar in 't meervoud gezegd was, wat men deed. Hier zegt asaph, wat hij doen zou.

Vs. 11. Ende ik zal alle hoornen der godloozen afhouwen: de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.

Die vers, 't welk uit de aanmerkingen bij het 5 vers genoegzaam opgehelderd wordt, heeft deezen zin : „ Den opgeblazen hoogmoed „ der Godloozen zal ik altoos zoeken te fnuiken mee geweld (§). „ De Rechtvaardigen in 't tegendeel zal God wel veihoogen." — De geheele Pfalm luidt dan aldus:

Vs. 1. Een Pfalm , een Puikdicht van asaph om te zingen op Altafchet;

Vs. 1. Wij loven u, 6 God! wij loven u. Uwe deugden zijn openbaar. Uwe -wonderen vertelt men.

Vs. 3. Als ik het Rechterambt in de Vergadering zal aanvaard hebten, zal ik nauwkeurig recht doen.

Vs. 4. Ons land en al deszelfs 'mwooners kwijnen weg. Ik zal het zijne fteunfels vastmaaken.

Vs. 5. Ik heb den mensch (den Onrechtvaardigen Rechter) die zich alles op zijnen rang laat voorjlaan , gewaar]chouwd, verhef u toch zo niet. Den Godloozen {.heb ik toegeroepen) z..elzo niet op van eigen waan.

Vs. 6. Ja ! {ik heb gezegd) zijt toch niet al te opgeblazen. Spreek toch geen harde dingen, zonder dat Gij te vermurwen zijt (als iemand recht bi) u zoekt.)

Vs. 7. Het is toch zonder rede, als men zich verheft op afkomst, rang, of welfprekendheid.

Vs. 8. Want God oordeelt (niet daar naar : maar naar recht:) en daarom floot hij den een! uit zijne hoogte ter neder. Terwijl hij den anderen in eere fielt.

Vs. 9. (Ja ! zo doet God.) Want Hij heeft een beker in zijne hand, (waar uit elk mensch zijn deel ontfangt.) Die beker is vol troebele wijn (die nog op de moer is). Hij fchenkt ze af en geelt dit te drinken aan de zijnen. Maar hij noodzaakt den Godloozen den droefem uitteknijpen in zoo dien draf te drinken.

Vs. 10. (Vertellen dan anderen uwe wondere handelwijzen !) Ik zal the ook verkondigen in eeuwigheid. In eeuwigheid zal ik den God j ac o n s met Pfalmen looven.

Vs. li. Ja! Ik zal (voordgaan met het) geweldig fnuiken van dm opgeblazen godloozen. Gij intusfchen zult den rechtvaardigen zelve verheffen. ——-

(')v. kavids & Ep. p. 24. (f) harm. Waarn. over V O. I. I. (%) 't Woord betekent ter neder jlaan, in ftukken f.aan, bief wordt gezien op een blaas, welke men aan ftuk flaat.

Te Arafterdam, bij M. de BRUIJN, in de Wannoesftraau

Sluiten