Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D E

GODSDIENSTVRIEND. 43.

Ik hebbe geleerd vergenoegd ie zijn in V geene ik ben.

F i Li pp. IV: II.

EEN CHRISTEN MOET BESTENDIG VERGENOEGD ZIJN.

Men hoort verre weg het grootfte gedeelte der menfchen klagen, geduurig klagen , over hunne ongelukken, rampen en wederwaardigheden. Ieder meent, zijn lot is het ergfte, zijne dagen zijn de ellendigfte. Het goed, hun vaft het Opperwezen gefchonken , wordt des onachtzaam voorbijgezien , en geeft geene ftof van erkentenis én blijdfchap. — Wij willen dit liegt beftaan der menfchen tegengaan, en, was het mogelijk, hunne harten vervrolijken.

De menfchen hebben in 't algemeen meer geluk dan ongeluk. 'Er is toch geene evenredigheid tusfehen de gelukzaligheden en de onheilen dezes levens, of tusfehen dü uuren van vermaak en van fmerte. Een ftaat, die niet vrij is van alle ongemakken , merken wij aan als ongelukkig, daar wij ondertusfehen niet van alle vermaaken des levens kunnen beroofd zijn , fchoon wij ten zelfden tijde van veele rampen gedrukt worden. Geen ftaat is bij de meestert gelukkig,zo hij niet van fommige aandoeningen van vreugde vergezeld gaat; — en in den zin, waar in zij dit woord bezigen, kan zulks niet ontkend worden. — Oödeftusfchen

H. DEEL. VV h0B'

Sluiten