Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 339 )

gen, en dat het dienvolgends wenfehelijker voor hem is te beflaan dan niet te beftaan; waarom zoude zulk een mensch niet vergenoegd zijn? „ Om dat hij geen booger, geen aan„ zienlijker rang in deze wereld bekleedt;" maar on¬

derftel tevens, dat hij tot een aanzienlijker ambt verheven worde — zoude niet dezelfde rede bij hem plaats hebben? En zou dezelve niet van de eigende kragt blijven, offchoon hem in den rang der Engelen eene plaats gegund wierdt?

Geen verftandig mensch zal hier uit kunnen befluiten, dat wij geene geöorlofde middelen mogen in 't werk ftellen, om onzen toeftand te verbeteren of ons ongeluk te vergrooten. Het vlijtigfte gebruik van zodanige middelen is alleen beftaanbaar met de diepfte onderwerping aan den godlijken wille; maar wij zijn daar toe, uit hoofde dier onderwerpinge, zelfs verptigt. Al het goede, het geen onder het bereik van die vermogens is, welke ons gefchonken zijn, en wij door eerlijke middelen kunnen deelachtig worden, moet als een gedeelte van dat geluk worden aangemerkt , het welk ons door de Voorzienigheid is toegedacht; en wij zouden gerekend moeten worden, in haare fchikking niet te berusten, maar dezelve te dwarsboomen, indien wij ons zeiven door werkeloosheid en luiheid van dit geluk beroofden.

Het blijkt dethalven , dat 'er niets onredenlijker, noch ongerijmder dan de onvergenoegdzaaraheid kan bedacht worden. Dezelve fteunt op een beginfel, 't welk ülë onderfcheiding in 't Heelal moet vernietigen, en de zaaden van gemelijkheid en onvoldaanheid verfpreiden onder alle foorten van laagere Wezens. Haare taal is: „Ik wil tot het hoogfte top„ punt der fchepping verheven worden. Ik wil geen ander „ geluk aannemen, uitgezonderd alteen het grootfte, het „ welk aan een fchepfel kan gefchonken worden." Kan 'er wel iet de vermetenheid van zulk eene gemoedsgefteldheid evenaaren? Hoe kwalijk past dezelve aan Wezens, die onder de Godiijke beftuuring leeven , onder welke noodzakelijk

Vv 2 0D~

Sluiten