Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 344 5

'it Zal van Vergenoeging zingen,

Die in 't hart eens Christens woont j

En, in alle wentelingen,

Steeds een gul gelaad vertoont.

*k Heb haar voor mijn gids gekoozen , Schoon ik zelfs op doornen treê,

Strooit zij mild haar zachte roozen, En gaat met mij lachend meê.

Komt zij in mijn arme wooning, Met flegt ttroo en mosch gedekt,

't Wordt een lusthuis van een' Koning, Als zij mij naar boven trekt.

Is zij aan mijn disch' gezeten, Zij maakt waarlijk water wijn;

Doet in brood mij wildbraad eeten , Laat mijn armoê rijkdom zijn.

Moet ik op een* keirteen leggen, Met wat hooi voor koude leên;

'k Heb geen woordjen meer te zeggen, Wijst zij mij naar jesus heên.

Moet ik fchamele kleeden dragen, Vergenoegen toont mij 't kleed ,

Dat ik mag- vrijmoedig vragen, Dat bij Jesus is gereed.

Moet ik om mijn kostjen zweeten, Vergenoegen wijst mij 't Land ,

Daar ik eeuwig brood zal eeten , Als een gave uit Vaders hand.

Wil dan van vergenoeging zingen , Die in 't hart eens Christeps woont}

Zij voere u bij hemellingen, Daar zij u, en gij haar kroont.

Te Amfterdam, bij M. de BRUIJN, in deVVarmoeslhaat.

Sluiten