Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 356 )

„ zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de Celmuren, „ en hoe nogcans uw hemelfche Vader dezelve voed — f, eu gaat gij dezelven niet verre te boven? uw hemelfche Vader weet, dat gij alle deze dingen behoeft. — Vreest „ niet voor de genen die het lichaam dooden, en de ziel „ niet kunnen dooden. — God, onze Zaligmaaker, wil, „ dat alle menfchen zalig worden en tot kennis der waar„ heid komen. Want alzo liefheeft God de wereld gehad, „ dat hij zijnen eeniggebooren Zoon gegeven heeft , op „ dat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verderve, maar „ het eeuwig leven hebbe — God is voor ons, wie zal „ tegen ons zijn ? Die ook zijnen eigenen Zoon niet ge„ fpaard heeft, maar heeft hem voor ons allen overgege„ ven , hoe zal hij ons ook met hem niet alle dingen „ fchenken? —- Wie zal befchuldigingen inbrengen tegen „ de uitverkoorne Gods ? God is het , die rechtvaardig „ maakt. Wie is het, die verdoemt? christus is het, ,, die geftorven is, ja dat meer is, die ook opgewekt is; „ die ook ter rechtehand Gods is; die ook voor ons bidt. ,, — Wie zal ons kunnen fcheiden van de liefde Gods, „ welke is in christus jesus onzen Heere? Ik ben ,, verzekerd, dat noch tegenwoordige, noch toekomende ,, dingen mij daar van kunnen of zullen fcheiden." (*')

Waar is de Wijsgeer? — Ja! waar is een Profeet die ons voor de openbaring van den Christelijken godsdienst

zoo veel vertroostende leeringen van God van zijne

Voorzienigheid —— van onze verordening en het einde, waar toe wij gefchikt zijn, heeft medegedeeld; — die ons het hoogde Wezen, 't welk in zijne Eenheid nogthans Vader, Zoon en Geest is, en deszelfs wijze regeering in zulk een helder licht voorgelteid, en ons nopens onze eeuwige

be-

C) Joan. IV: 24. Ilelr. XI: 3. Rom. VIII: 28. Matth. VI: 26—32. Aèjif. X; a8. 1 Tim. II: 4. Joën. lik ió. Rom. WK 34—3a.

Sluiten