Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 36* )

naar het fabelagtige gelijken , en dus op eene redenlijke wijze bevat en aangenomen kunnen worden, i Men heeft, wel is w;iar, jlsus en zijne Apostelen veel laten zeggen , dat zij nooit gedacht noch gefproken hebben men heeft uit hunne woorden, uitdrukkingen en

wijze van voordellen de ongerijmdfte betekenisfen gehaald

of liever gedwongen toch dit ftaat op rekening van

het onverftand of het weeldig vernuft der waanwijzen. —. Alle redevoeringen en leeringen van jesus en zijno Apostelen zijn noch ver gehaald, noch opgefmukt, noch door kunst angstvallig gezocht; Men leeze, men doordenke dezelve. -—— Gaan zij niét van godiijke eenvonwigheid verzeld? Heerscht niet overal gezond verftand ? Zijn ze niet alle in ftaat, om het hart der menfchen te roeren, te vellichten en te verbeteren? Indien 'er wezenlijke ongerijmdheden in gevonden wierden, kon men 'er die groote wijdheid

die 'er zoo verrukkend in (draalt, niet mede vereenden? !

men zou dan moeten zes-gen , dat wijsheid en dwaasheid hand aan hand gingen, en dat God toegelaten hebbe, ons te bederven. — Hij toch wilde ons handtastelijk van onze dwaasheden door het euangeli van j e s c s genezen, en wij zouden niet te min door het zelve rot nieuwe dwaasheden verleid worden ? Dit noem ik de ongerijmdheid zelve.

Maar — hoe heeft dan het euangeli de goedkeuring en toeftemming van zoo veele groote mannen en fchrandere vernuften, die niet nalieten alles nauwkeurig te onderzoeken en te beproeven, kunnen winnen, en zich, in weerwil van zoo veel tegenftand, zoo gelukkig weten ft'aande te houden ? waarom verliet een s a u l u s zijnen vaderlijken godsdienst? zekerlijk niet door een buitengewoone roeping alleen; maar ook, om dat de waarheid van het euangeli zich ^an zijn hart vertoonde. —— Waarom hielt hij alle dingen voor fchade om de uitnemendheid der kennisfe van jesus christus? (*) Om dat hij op eene bondige en ontegenzeggelijke overtuiging, welke hij van de waarheid hadt, roejnen konde. Ik weet in wien ik geloofd hebbe fchreef hij daarom aan zijnen leerzoon timotueus. (f) Daar nu een man, zoo fcherpzinnig van oordeel, zoo bedreven in, allerlei wetenfchappen, deze belijdenis, wegens zijne overtuiging van de waarheid des christelijken godsdienst aflegt

(•) Filipp. Hl: 8. Ct) 2 Timoth. I: 12.

Sluiten