Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 3^4 )

misbruiken , en zijne goedertierenheid geeft den berouwhebbenden de troostrijke verzekering, dat zijne rechtvaardigheid nimmer wreed is. Hij ftraft nooit uit haat, en bemint nooit uit eigenzinnigheid. Zijne liefde tot het 'goede is het rigtfnoer van alle zijne daaden , en de gelukzaligheid zijner fchepzelen zijn onveranderlijk oogmerk. Om die rede haat hij het kwaade, maar bemint ook den zondaar ; om die rede gaf hij zijn Eeniggeboornen ter herftelling van den gevallen mensch, en bied dien aan elk, ter zijner eeuwige behoudenis, met de uitlokkendfte noodigingen aan. Dus worden de meest geduchte eigenfchappen van den grooten Wetgever des Heelals, die behouden en verderven kan, zelfs aangenaam en beminnenswaardig in den godsdienst van jesus. Volgends de christelijke leer vermeerdert de grootheid van het Opperwezen des menfchen vertrouwen; en hoe heerlijker het befchreven wordt, des te grooter wordt het verlangen naar deszelfs zalige gemeenfchap, dewijl God fteeds het hoogfte goed blijft ,

de wijste, de beste Vader, die al zijne grootheid alleen bezit, om zijne kinderen gelukkig te maaken, en even alleen daarom wijsheid en deugd van hun afeischt, dewijl hij zelf daar door het alleenzaligite Wezen is.

Een christen gelooft dus aan God en eene eeuwige Voorzienigheid. Hij erkent in Hem zijnen God en Vader. Hij werpt zich met alle zijne behoeften en aangelegenheden in deszelfs lieflijke armen, om dat jesus 'er hem het recht toe gegeven en verzekerd heeft, dat God op eene vaderlijke wijze voor hem zorge en alle zijne nooden en behoeften kent en ten zijnen beste vervult. —— Een christen wordt door geene verwijtingen van zijn hart en geweten gekweld. Hij heeft vrijmoedigheid en toegang tot God door christus. Hij weet, dat 'er geen verdoemnis gaat over hun, die in christus jesus zijn. (*)

Een christen vreest niets wegens het toekomende. Hij weet , wien hij gelooft. Hij weet, dat God hem niet gefield heeft tot toorn; maar ter verkrijging der zaligheid door christus. (f) Hij ziet dus den dood met een vrolijk gelaat te gemoed. God is hem een toevlugt en perkte , daarom vreest hij niet, al veranderde de

aar-

O Rom. VIII: 1. Cf) ' The,/. V: 9.

Sluiten