Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aarde haare plaats, en al werden de bergen verzet in het harte der zeeën. De eeuwigheid is hem een afgrond , waar in hij niet dan met verrukking nederziet, om dac hij 'er de grenzen, noch het einde van zijne eigene gelukzaligheid in ontdekt. ■

Is dit nu niet een onuitfpreekhjk groot voorrecht — een

voorrecht, 't welk den Christen alleen eigen is? Zoo

heeft jesus van God geleerd. ■ Welk eene leering!

wanneer heeft ooit de wereld God zoo gekend?

En wat de pligten of de zedeleer van jesus christus betreft: deze is niet ftreng of hard. — Waren hoogmoed en eigenbaat weleer de grondwetten van een verdorven zedeleer, die niets dan onderdrukking en geweld bedoelde, daar is in tegendeel de oprechtfte begeerte, om het gantfche menfchelijk geflagt gelukkig te maaken, de eerfte wet in de zedenleer van j esus. In deze Godiijke wet geldt geen aanzien van perfoon; hier vindt eenzijdigheid plaats; hier heeft de geringfte even zoo veel recht tot zijne gelukzaligheid als de allergrootfte, en de bevoordering van de algemeene volmaaktheid der wereld is ieders verpligting. Zij eischt daarom van ieder mensch dat geen, wat van zijn belang is — weigert ons geene vermaaken, der genietinge

waardig roeit geensfins onze driften en neigingen uit

maar beteugelt dezelve. Zij is 'er zoo verre af, van onze lusten en begeerlijkheden voor zondig te verklaaren, die binnen de grenzen der Reden blijven, dat zij in tegendeel derzelver voldoening goedkeurt, billijkt, en alle onthouding in dit geval voor eene onnutte en noodelooze opoffering, aanmerkt. —- Zij gunt ons het genot van de onfchuldige vermaaken dezes levens, en beveelt ons, ons zei ven ten. allen tijde te verheugen en te verblijden. — Haare voorfchriften zijn dus geene willekeurige bevelen der eigenzinnigheid ze zijn op wijsheid en liefde gegrond, overeenkoomftig de behoeften en gebreken onzer natuure; zij gebiedt al wat in de daad edel en groot is, het geen den mensch verhoogt, hem wederom in zijnen voorigen rang herftelt, en tot zijne wezenlijke waardigheid te rug brengt; daar tegen verbiedt zij, als een verftandige Arts, alleen 't geen fchadelijk is. Nooit drijft zij haare eifchen te ver, nooit beveelt zij onmogelijke dingen. Zelfs het geen bij haare voorfchnften ftreng is, is een getuigenis van de uitnemendfte en nauwkeurigfte menfchen kennis en van eene gadelooze wijsheid, maar niet min van eene onvergelijke goedertierenheid. .

Zz 3 Zij

Sluiten