Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 381 )

Dit was de oorfprong der Afgoderij, die met den dienst der hemellichten begon. De heilige Schrift bevestigt deze gedachte, daar zij zo dikwijls fpreekt van den dienst, door de Afgodendienaars aan 't heir der hemelen bewezen. En hiodorus siculus verhaalt ons, dat de oude Egyptenaars, opziende paar de wereld boven hen, en de ratuur van het heelal nagaande, daar door getroffen zijnde, geloofd hebben, dat de Zon en de Maan de eeuwige en vóornaamfte Goden waren.

Zodra men het getal der Goden zo groot gemaakt had, zal men bedacht geweest zijn , om elk hunner zijne bediening aan te wijzen. Hier in is misfchien ieder zijnen bij zonderen fmaak gevolgd ; maar het gevoelen van zulken, die, om hunne meer dan gemeene kundigheden , of om hun gezag, invloed op anderen hadden, als priesters, koningen of vaders der huisgezinnen, zal waarfchijnlijk den meesten opgang gemaakt hebben. Der eene Godheid zal men het gebied over de bergen, der andere dat over de vlakten, eener derde dat der zee, eener vierde dat der rivieren , eener vijfde dat der lucht, eener zesde dat van den afgrond en zo vervolgends hebben opgedragen, gelijk men bij de Heidenen plaatslijke Godheden ontmoet. Ieder mensch , elk huisgezin, elk beroep , eik volk, zal zich eenen bijzonderen befchermgod verkozen hebben. En hier zal men misfchien den oorfprong van den beeldendienst vinden. Zij, die zich eene bijzondere Godheid uit de hemellichten genomen hadden, bij betrokken lucht dezelven niet kunnende in 't oog krijgen , zullen waarfchijnlijk , om dat ongemak voortekomen , in hunne huizen een afbeeldfel van hunne Godheid hebben willen ftellen, om voor het zelve hunnen godsdienst ten allen tijde te kunnen verrichten.

De Christenen , wier Godsdienst hun eenen God doet kennen, die een zuivere geest is, vervallen , in weerwil van die kennis, nog dikwijls in den misflag, van der Godheid iet toe te fchrijven, dat den mensch eigen is. Zoo zeer zijn wij Hoffelijk-, zoo lichaamlijk zijn onze denkbeelden. Geen wonder dan, dat de menfchen, in de tijden der onkunde, hunne Goden dagelijks vermeerderende, daar toe gekomen zijn van die in twederlei genachten te verdeelen, ze te doen voordteelen, en nieuwe Goden voordbrengen, waar mede zy den aardbodem , de lucht, de bosfchen , bergen, dalen, rivieren en zeeën bevolkten, en waar van 'er ieder mensch zoo veel diende als hem lustte.

Ubb 3 E£»

Sluiten