Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 3«» )

Een andere oorfprong kan 'er nog worden aangewezen van de Afgoderij, 't veelgodendom enden Beeldendienst, een oorfprong zoo natuurlijk, dat indien de dienst van Zon en Maan niec altijd de gemeene Afgoderij der Heidenen geweest was, wij dien oorfpróug als den eerlten en algemeenen zouden aanmerken, Misfchien kunnen zij faarngevoegd worden. Zie hier wat ik bedoele.

Genoegzaam alle volken hebben eenige begrippen van de onflerflijkheid der ziel, en van belooning of ftraf na dit leven. De algemeenheid van deze begrippen is een bewijs, dat zij overblijfzels zijn eener oude en algemeene leer. Naar alle waarfchijnlijkheid was deze leer eene der grondwetten van den oorfpronglijken godsdienst. Nu was het natuurlijk , dat de kinders hunne ouders, de volken hunne koningen, en zulken, die hun groote dienden gedaan hadden, door 't uitvinden van nuttige kunfteu of op eene andere wijs, na hunnen dood nog eenen bijzonderen eerbied toedroegen; en, om dien des te beter te kunnen bewijzen, hunne beeldenisfen in de huizen wilden hebben. De gedachte van hunne onlterflijkheid deed misfchien ook wel gelooven , dat de afgeflorvenen met vermaak die eerbewijzingen ontvingen, en die van hunne deugd bragt veelligt het denkbeeld voord , dat zij nu tot eer.en verhevenere» rang onder de wezens overgegaan, met eenen meer dau gemeenen eerbied behandeld moesten worden. Ook zal men misfchien wel gedacht hebben, dat zij nu waarlijk het befchik hadden verworven over aardfche zaken; en dat men gevolglijk hen om eenen zegen en bijftand behoorde aan te roepen. Dit fchijnt de grond geweest te zijn van de menigvuldige vergodingen der Helden, bij Grieken en Romeinen, die eindelijk zoo ver gegaan zijn, dat de vleierij de grootde gedrochten tot den rang der Goden heeft verheven. De Roomfche Kerk fchijnt dit gebruik te hebben willen vereeuwigen, door van tijd tot tijd de lijst haarer Heiligen te vergrooten.

Wanneer het Bijgeloof eens wortel gefchoten heeft, kent het geene paaien meer. Toen men een tameli'k getal van Goden had, kwam het 'er niet op aan, of 'er nog eenigen bijgevoegd wierden. Men kan alzowel duizend Goden ftellen als honderd. Men maakte dan welhaast alles tot Goden. Misfchien begon men wel, met fommige dingen voor zinnebeelden van de Goden te houden, welken men allengskens voor Goden nam. De Dichters vergrootten welhaast het getal, door alles onder de gedaante van perfonen voor

te

Sluiten