Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 383 )

te ftellen. Dus werden alle de aandoeningen van 't gemoed, alle deugden en ondeugden, ja de ziekten zelfs, tot Godheden. Het volk nam dit naar de letter op, en, onverfchillig hoe groot het getal der Goden was, dacht het geene paaien daar aan te moeten geven. Veelen zullen het als een bijzondere godsdienftigheid hebben aangezien een bijster groot getal Goden te hebben; en bij fommigen zal het denkbeeld bebben plaats gevonden, dat alles vol van Goden was. En dit is het misfchien, dat veele volken voet gegeven heeft, om allerlei dingen, naar elks zinlijkheid, voor Goden te honden. Dus heeft ieder Afrikaan op de Goudkust eene bijzondere Godheid; de één een vogelklauw, de ander een fpijker, de derde een' bondel oude vodden, en dergelijken.

Eindelijk, fchijnt het, dat men nog een' derden oorfprong voor de Afgoderij vinden kan, in 't geen men van de begrippen der oude Chaldeen en andere Oosterlingen aangaande God en de wereld weet; en dezen derden oorfprong kan men bij de twee voorigen voegen , als hebbende de eene mensch, of het eene volk, uit dit, de andere mensch, of het andere volk , uit een ander beginfel het beftaan van veelerlei goden, en de verpligting om die allen te dienen, afgeleid, fchoon wij niet denken zouden, dat deze de vroegfte en algemeenfte oorfprong der Afgoderij geweest is, zo als wij aanftonds breeder zullen aanmerken. Volgends de wijsgeerte der oude Chaldeen (*) was 'er één God, de Heer en Schepper van 't heel-al, door wiens voorzienigheid alles voordgebragt was. Deze Voorzienigheid was eene ziel, door de geheele wereld zich uitftrekkende, de bron van alle die geesten, welke de Oosterlingen meenden, dat het gebied voerden over de onderfcheiden deelen der wereld. En hier uit, zegt een geleerd Schrijver, zijn de eerfte beginzeh der Afgoderij gefproten, dewijl het gemeen de goddelijkheid dier geesten tot de deelen der wereld zeiven trok, en die aanbad. Het is waarfchijnlijk, dat de Godgeleerden der Chaldeen deze Geesten van de ziel der wereld, als van dezelve uitgevloeid, en van de wereld zelve, als de. zelve regeerende en in order houdende, zullen onderfcheiden hebben; en dit bewijzen de verfchillende rangen, wel. ken zij onder die Geesten Jlellen. — Dat de openbare Gods. dienst der Chaldeen, voegt hij 'er eindelyk bij, tot de Zon, de Maan, de Starren, en vooral de dwaalflarren

ge-

C*J Zie eaucssai Infi, Hifi. Phiiof. V. i. L. a. c. %. %. \%,

Sluiten