Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 334 )

gerigt werdt, is iets dat uit de ouden, en bijzonderlijk 'uit den dienst der zon blijkt. Het volk deed dit op eene domme en plompe wijs , maar de wijsgeeren oordeelden , dat het vóornaamfte der godiijke uitvloeifelen in de ftarren gehuisvest was.

Vraagt men wijders,hoe die wijsgeeren aan dat begrip van de ziel der wereld gekomen zijn; naar onze gedachte moet men dat zoeken in het denkbeeld van Gods alomtegenwoordigheid , een denkbeeld, dat de eerfte menfchen, of bij de eerde openbaring van God zeiven ontvangen , of uit dit beginfel hebben kunnen opmaaken, dat God wezen moest overal, waar hij iets wrocht. Uit een dergelijk beginfel kan ook het in 't Oosten algemeen aangenomen gevoelen gefproten zijn, dat alles van de Godheid was uitgevloeid, de ftof zelve niet uitgenomen, welke een der geringde uitvloeizelen was, tusfehen welke en de godheid 'er eene menigte van tusfehengeftelde geesten gevonden werd. Het denkbeeld van de fchepping der wereld uit niet was hun onbekend.

• Evenwel zoude ik zeer twijfelen, of deze begrippen wei den eerften oorfprong aan de Afgoderij gegeven hebben. De dienst van veele goden is zoo vroeg in de wereld doorgebroken , dat het kwalijk te denken is, dat reeds, in die vroege tijden, het wijsgeerig famenftel van de ziel der wereld eu uitvloeizelen is uitgevonden geweest. Dat famenftel is te wijsgeerig, hoe valsch het ook zij, om van landbouwers, herders of jagers afkomftig te zijn. De vermenigvulding en befchaaving der menfchen moesten eerst wijsgeeren hebben voordgebragt. Doch dit fchijnt zeker te zijn, dat dit famenftel in 't vervolg van tijden gediend heeft,om het veelgodendom te verfterken. De wijsgeeren, te verftandig om leevenlooze wezens aan te bidden, vonden in dit famenftel eenen grond om in den aangenomen godsdienst van hun land te volharden, en een foort van wijsgeerige afgoderij in te voeren.

. Zodra het begrip van 't beftaan en de magt der geesten over fommige deelen der wereld was doorgedrongen, dacht een ieder dat-men zich die tot vrienden moest maaken. . En dit' zal bij veelen eene bronwel van Afgoderij geweest zijn. De wijsgeeren zelfs meenden bij de ondergefchikte wezens zich om bijftand, zegen en geluk te mogen vervoegen, gelijk nog fommige Christenen hun toevlugt nemen tot de tusfehengeftelde bemiddeling van Heiligen.

Te Arnfterdarn, bij M. de BRUJJN, in de Warmoesltraat.

Sluiten