Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 "

D E

GODSDIENSTVRIEND.

Och dat mijn hoofd water ware, en mijn ooge een fpringader van traanen! zo zoud' ik dag en nagt be.wecnen de verjlagenen der dochter mijns volks Och dat ik in de woestijne een herberge der wandelaars hadde! zo zoud" ik mijn volk verlaten en van hun trekken: want zij zijn alle overfpeelders, een trouwloofe hoop,

jer. IX: I, 2.

OVER. DE HERBERGEN DER OOSTERLINGEN.

Dair fommigen onzer Lezeren gaarn iets uitlegkundigs leizen, zullen wij ook dezen trachten te voldoeu en onder anderen ook nu en dan het een en ander leveren over de Oosterfche gewoonten. — Voor het tegenwoordige willen wij iets over de herbergen in het Oosten mededeelen. Tevens zullen wij die plaatzen, in welken van dezelven gelproken

wordt, in derzelver verband wat nader ophelderen.

Wij verwonderen ons, om dit in het voorbij gaan van de woorden van Jeremia te herinneren, dat de voornaamfte uitleggers (*) iri het eerfte vers nog aan verjlagenen denken. Het geheele verband wijst ons op een godloos, op een zondig volk; op een Afgodisch volk, 't welk daarom van geestelijke Echtbreuk in het twede vers befehuldigd wordt. —. Wanneer wij nu nagaan , dat het werkwoord meestal de betekenis heeft van ontheiligen en ook van fchenden, gelijk wij die vertaaling van het woord zelfs in onze Overzetting aantn f-

fen,

• (*) Onder anderen «iciuëns ea d athh. III. DEEL. ö

Sluiten