Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ ken, om de Reizigers te herbergen: en aan de eene zijde „ hebben zij ook een (lal voor de Paarden. Zij zijn van „ onderfcheidene grootte en maakfel ingevolge de edelmoe» „ digheid of het vermogen der Stichters: fommige zijn ge„ bouwd door liefdaadige menfchen en andere door goede

Vorlten. Zij zijn zo nabij aan versch water geplaatst als „ mogelijk was,en oratrend een dagreizens van eikanderen.

„ Dewijl in het Oosten geene herbergen gevonden wor„ den, vervullen deze Karavanfera's eeuigervvijze dat ge,, brek, hoewel niet anders dan fchuilplaats daarin te vin„ den is. Zij zijn evenwel zeer bekwaam voor de Reizi„ gers.En fommige derzelven kunnen vijf.ionderd menfchen

benevens hunne paarden bergen. Zij Haan voor ieder een ,, gelijk open, zonder eenige navraag, of iets daar voor te „ betaalen. Gemeenlijk is een oud man in dezelve gefteld , ,, die de vertrekken moet zuiver houden en de noodwendig„ heden uit de naastgelegene Stad of Dorp gaat haaien." — . De herbergen der Oosterlingen zijn dierhalven gebouwen even gelijk de gewoone Oosterfche gebouwen, welke doorgaands vierkant zijn. Eene befchriji/ing en aftekening vindt men bij sha w. (*) Gelijk nu de huizen in 't gemeen van een of meer verdiepingen zijn, zo is 't ook met die Herbergen. De Herberg , welke bell befchrijft, fchijnt maar eene verdieping hoog te zijn geweest. Maar die welke iiasse lq ui st aantrof, was twee verdiepingen hoog, terwijl in het onderfte gedeelte de paarden en in 't bovenfte de menfchen hun verbüjf hadden. ——.

Den oorfprong dezer buizen geeft ons bell insgelijks op. De herbergzaamheid der Oosterlingen heeft dezelve veroorzaakt. Vorlten of andere mentenen lieteii dezelven op de wegen ftichten tot gerief der Reizigers. In de Steden kende men ze voorheen niet, dewijl de herbergzaamheid daar alle huizen voor den Reiziger deed oiufluiten. Tegenwoordig echter, na dat de Reizigers veel meer zijn dan in vroegere eeuwen , heefc men in de Steden ook zulke vaste Herbergen aangelegd, gelijk die van hasselquist was. (f) Bij da Arabieren wordt daar toe doorgaans het huis van den Cheik (het opperhoofd) gebruikt, gelijk men uit de aangehaalde plaats van d'ar vieux zien kan.

Toen

C») Reif. I. D. bh 301.

(t) Van die Heibergen in de Steden fpreeken wij zo aanftonds ■Og nader.

D s

Sluiten