Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 38 )

Was 'er ooit een tijd van vreezen en beeven, van eerbied en ontzag: het was dan nu ter tijd.

Gantsch Israël moest weten, dat het jehova, de eeniie waarachtige God was, die hun verfcheen, en dat hun God een verteerend vuur zij.

Gelijk zij moesten oog- en oorgetuigen zijn , hoe God van Sinaïs rookende toppen tot hen fprak; gelijk zij Gods toehoorders, en aanfchouwers van zijne majesteit, of des vuürs en der donkerheid, waarin Hij woonde, wezen mogten , tot ïnmne volkomen overtuiging, zekerheid en vastigheid in het geloof aan god en moses: zo moesten zij ook nu en altoos met een verfhalen hart zijne ftem eerbiedigen en gehoorzaam zijn, hunnen Wetgever en Verbonds - God eeuwig vreezen , (*) hunne hardheid laaten vermurwen, en den diepften indruk ontvangen van 's Heeren hoogheid en van hunnen pligt, enniecal'een zij, maar ook hunne volgende gedachten ! En fprak God alle de woorden van zijne wet uit den zetel zijner hoogwaardige heerlijkheid, en als van zijnen troon, zo moest Israël ook hierbij weten, dat alle Gods geboden van denzelfden hoogen oorfprong, van dezelfde waardij, van hetzelfde gezag, en van dezelfde kragt zijn, waarom zij ze allen met dezelfde gehoorzaamheid,met denzelfden eerbied, zonder onderfcheid, zonder uitzondering, zonder eenige bepaaling, moesten aannemen en ontvangen.

De Satan moge door zijne arglistigheid het een of ander gebod van God kragteloos willen maaken , gelijk zijne listen van't paradijs af aan niet onbekend zijn; de Pharifeeuwen mogen dit navolgen, en herodes mogt op dat heilloos fpoor wel eenige van 's Heeren lesfen uit des Doopers mond gaarn aanhooren, doch anderen verwerpen: ma2r God wfl al wat Hij fprak gedaan hebben. Neem dan waar, dat gij doet, gelijk de Heer uw God, u geboden heeft, en wijkt niet af ter regte of ter jlinkehand. In al den weg , dien u deHeer, uw God, gebied, zult gij gaan, opdat het u welga, ( §) Zo gaf God dan zijne wet door ze zelf uit te fpreken en af te kondigen. Maar nog boven dien ook door ze zeifin twee fteenen Tafelen te graveeren. Hij gaf aan m o se s , als hij geëindigd had met hem te fpreeken, de twee tafelen der getuideBis, tafelen van fteen, befchreeven, met den vinger Gods. (ty Van welke fteenen tafelen hier te voren uit shaw re.-d* iets is opgemerkt.

Dan, hoe de Heer zijn volk betuigd en zijne wet befchreeven had, weldra vervielen zij tot dien ongelukkigenftap, waar-' tan de Heer zelf deze tekening geeft :maar Israël heeft naar

mijnt'

(*) Exod. XX: 20. C§) Dept. V: 3a, 31. (.tjlExod. XXXI. op het einde.

Sluiten