Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(43 )

Zorgt dan de waare Christen, waar het nodig is, — waar zijne zorgen hem iets baaten kunnen, — doet hij zelfs het geene zijne hand vindt om te doen met magt. In het tegendeel hij zorgt niet , wanneer zijne zorgen hem niet baaten kunnen , in gevallen die boven zijn vooruitzigt, zijne berekening, zijn vermogen zijn. Tot recht verftand van 's Heilands'les, moeten wij dit gezegde vooral ophelderen. Wanneer zulk een onbezorgd Christen, zijne graanen zaait , denkt hij in het geheel niet angstvallig, wie weet of ze wel zullen opkomen , of ik 'er wel iets van zal inzamelen. Die zorg is dwaasheid: want zij kan hem geen het minfte voordeel aanbrengen. — Legt hij zich des avonds op zijne lescrftede ter neder, hij geeft zich niet aver aan angftige "denkbeelden , of hij misfchien op zijn bed niet wel een prooi der vlammen zal worden. Ziet hij zwarte wolken famenpakken, donder en blikfem dreigen, geene wanhopige zo<-g, dat een blikfemfchicht hem vellen zal, foltert zijn benepen hart. —r Gaat hij te fcheep, dit denkbeeld, wie weet of ik nu niet vergaan zal, is geenszins zijn reisgezel. Die ontrustende gast laat hij aan wal. Hij heeft bedaarde zinnen nodig om in geval van nood hulp te kunnen bewijzen. — Begeeft hij zich op een of ander rijtuig, geene koude rilling, even als of hij zo zo hals en beenen breken en alle ongelukken hem teffens treffen zouden, bevangt en vergezelt hem. — Gaan zijne huisgenoten van hem weg , zijn ze uit zijn oog , hij huisvest geene zieiberoerende denkbeelden van dezen aart: wie weet of hen niet dit of dat is overgekomen, of ze niet reeds den adem hebben uitgeblazen, of ze niet met den dood worftelen. Deze en diergelijke denkbeelden haat hij met een volkomen haat.

Uit het dus ver aangevoerde bemerkt men reeds, dat het zorgen, 't welk de Zaligmaaker veroordeelde , eigenlijk een redenloos vooruitlopen is en wel in zaken en gevallen, die geheel boven ons bereik zijn. Elk rechtgeaart Christen verfoeit dierhalven zulk een gedrag, te meer daar het doorgaands nog veel verder gaat. Hoe menig menfchenkind toch loopt niet nog onbegrijpelijk veel verder vooruit. Zijn 'er niet, die — wel gezeten en van God gezegend,— geduurig in vreeze leeven, dat zij door brand, water, oorlog, of andere rampen nog eens van alles beroofd , — in de doodelijkfte armoede hunne dagen zullen moeten flijten? Zijn 'er'niet, wier ziel geduurig gemarF 2 teld

Sluiten