Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 5i )

wezen, waar op hij geen de minne betrekking heeft , en waar tégen hij in zijn hart zou kunnen zeggen: wat heb Yk n tTte ^oen? n Hij bemint, ai is het met m den zelfden graad , nogthans wezenlijk alle menfchen ; en , hij bemint hen uit de edelaartigfte beweegredenen: om dat zulks in zich zeiven goed en aangenaam voor God is m Vooral bemint hij alle Christenen hartelijk , om dat zijn Zaligmaaker hen lief genoeg gehad heeft , om .n hunne plaats te nerven: en dewijl 'er onder dezen met één is van we'ke hij met zekerheid kan zeggen , dat hij nimmer tot het getal van jesus broederen zal behooren zo is 'er niet één, dien hij niet als een voorwerp zijner broederlijke liefde aanmerkt. De vreedzame Christen is dethalven bezield mer eene algemeene goedwiU

llgDedtwede regel, hier toe {trekkende, is deze: De vreed* zame Chrhten doet zoo veel goed aan zijnen naasten , als hij bij mogelijkheid doen kan. — Hij verbeeldt zich niet, dat hij alleen voor zich zeiven in de wereld kan leeven: en, al is het dat hij tot zijne ziel kan zeggen: Gt) hebt goederen, die opgelegd zijn voor veele jaaren;neem rust, eet, drink en zijt vrolijk, (§) als dan evenwel ziet hij de ongelukken van anderen met met onverichilltge oogen aan. Hij bewijst, naar het voorbeeld van de tollenaaren, (*) niet fle^ts dienden aan de/^anigen, van welken hij dezelven wederom vcrwacnt. Hij is nuttig, en dit genoegen van nuttig te kunnen zijn , maakt zijne blijdfchap uit : wie het dan ook zij , dien hij ten dienfte ftaat, het is even veel, hij heeft dienst gedaan, en zijn genoegen is even groot, ja daar in is zelfs iets zuiverers, wanneer geene oogmerken van eigenbelang het verborgen beginfel zijner dienstbewijzen kunnen geweest zijn. Hierom werkt hij ook met meerder ijver om zijne dienften te doen aannemen, dan zij, die dezelven nodig heb' ben, om ze te verkrijgen ; en , onder deze dienstbewijzen , hebben de zodanigeu, die de zaligheid der ziel betreffen , wel verre van nagelaten te worden , altoos den voorrang. En dit vastgefteld zijnde , wie zal zich dan voor eenen vijand durven verklaaren, van hem, die zich dus den vriend van het menschdom betoont ïfVte ts het die^

(•) a Koningen III: 13. Ct) 1 Tim- 11: 3(£) Luc. XII: 1». 03 Luc. VI: 34-

G 2

Sluiten