Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 53 )

vermijden, waar ia deal tegewoone zucht tot rijkdommen zoo ligtelijk de waare liefde verbant.

Ik voeg hier bij een vijfden regel. In deze onderhandelingen , wanneer zij noodzaaklijk geworden zijn , toont de vreedzame Christen , niet 'alleen eene nauwgezette rechtvaardigheid, maar ook tevens eene edele grootmoedigheid. Hij maakt zich geen fchandelijk punt van eer om niets te willen afiïaan van die dingen die , in den grond befchouwd , onverfchillig voor hem zijn , alleen , om dat hij ééns daar op geltaan heeft. Neen , als hij het wezenlijke flegts kan verkrijgen , houdt bij zich met op met beuzelagtige uiterlijkheden. Hij geeft grenen verkeerden draai aan zaken , die het recht betreffen , door beledigende uitdrukkingen , of haatelijke befchuldigingen; en , als anderen , in eene vervoering van toorn of fpijt zich daar in jegens hem te buiten gaan , dan is al de wraak die hij neemt, de menschlijke zwakheid te beiveenen en tevens te verfchoonen. Hij doet zijne eifcheii nooit gelden, wanneer zij twijfelagtig zijn , en indien zij i al wettig zijn , doet hij zulks echter niet met de uiterfte geftrengheid. Hij fluit zijne oogen niet voor eenen toeHand , die reeds droevig is, om denzelven nog droeviger te maaken. Hij lijdt liever eenig ongelijk, (*) wanneer hij zulks fchuldeloos doen kan, dan zich in ergerlijke twisi i ten te begeven : dringende dus zijne tegenpartijen zelfs \ a om zijne oprechtheid, geduld en belangloosheid te moeten 4 goedkeuren.

De vreedzame Christen, dit is de zesde regel, heeft s voor anderen altoos een weinig meerder agting, dan zij , redenlijker wijze van hem verwachten kunnen; dewijl hij > begrijpt, dat 'er niemand is, die zich zeiven niet iet hooger (chat, dan hij waarlijk is. Deze overweging maakt hem zoo opmerkzaam en nauwlettend als hij, zonder zich . aan gevaar bloot te ftellen, of eenen al te dierbaren tijd te i verfpillen, zijn kan; opmerkzaam en nauwlettend naam< lijk. op t geen men in de wereld welvoeglijkheid, gewoon. I ten, hedendaagfche welleevendheid noemt: ik fta toe, dat s dit alles niet veel meer is dan fchijn; maar dit alles is / evenwel eene uitwendige betuiging, van het geen wii i meenen verfchuld.gd te zijn aan hun, waar mede wi i verkeeren: Laten wij zulks na, dan ontkennen wij deze I fchuld; en wie weet niet, hoe gevoelig de meeften hun-

sar

<*) i Cor. VI; 7.

GJ

Sluiten