Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 55 )

kwellen, die hunne verdrietige redenwisfelingen verdraagen moeten: het zij die, weiken overal, zonder onderfcheid, een' overvloed van woorden uitftrooien, niet ongelijk aan een zwerm pijlen, die, blindelings in het wild geworpen zijnde, nooit misfen fommigen der toezieners te kwetzen.

Laat ik dezen agtften en laatften regel 'er nog bijvoegen. De vreedzame Christen is vol verdraagzaamheid. Hij die met nederigheid erkent altoos nog zeer verre van de volmaaktheid verwijderd te zijn, verwacht dezelve ook niet in zijne mededienstknegten. Dus, wanneer hij in hen gebreken ontdekt, gebeurt hem niets, 't welk hem verwondert; niets, 't welk hij niet voorzien hadt, en waartoe hij zich niet hadt voorbereid. Schoon hij de misdaad baat en verfoeit, evenwel heeft hij voor de genen, die het ongeluk hebben gehad dezelve te begaan, !dat mededoogen en die toegevendheid, welke hij mogelijk'zelf ten eenigen tijde zal nodig hebben , (de grootfte Heiligen toch zijn in zwaare zonden gevallen) en welke hij als dan niet zou willen, dat men hem weigerde. Hij befchouwt de daaden en verklaart de woorden van anderen altoos op de gunftigfte wijze, terwijl hij het oordeelen zonder barmhartigheid voor den geveinsden Farifeeuw overlaat. En gebeurt het al eens, dat men omtrend hem in gebreke gebleven is, evenwel vergroot zijn hoogmoed de misdagen niet; zijn toorn ontbrandt niet op het oogenblik ; zijn mond fcheldt niet, zo dra hij gefcholden wordt, noch zijne handen dreigen niet, als men hem leed doet. (/*) Noch veel minder voedt hij in zijne ziel eene verborgen haat: hij verfchoont, verdraagt, vergeeft; en, de goedaartigheid, toegevenheid en zachtmoedigheid, welken men in zijnen omgang ontdekt, zijn als zoo veele menfchen - seelen waar mede hij, naar het voorbeeld van zijnen hemelfchen (f) Vader, de harten tot zich trekt.

Indien 'er eene maatfchappij van menfchen was, welken allen geleeken naar het afbeeldfel, dat wij hier gefchetsc hebben; zou dezelve niet even als een Heiligdom wezen, alwaar de beminnelijkfte rust en verrukkendfte vrede hun verblijf hielden? Doch, daar wij eerder kunnen wenfchem dan hoopen eene zodanige maatfchappij te zien, is het onze pligt, ieder in zijne betrekking, ter vormeering van dezelve alles toe te brengen.

God

f») t Pet. II: *a. (f) Uoz. XI: 4.

Sluiten