Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D E

GODSDIENSTVRIEND. 5Y°. t.

Wie volharden zal tot den einde, die zal zalig wordetu

MATTH. XXIV: 13.

OVER DE VERTRAAGING IN DEN GODSDIENST.

*f TTTaareChristenen, die zich aan den dienst van God verVV bonden,en de kragt van het euangeii.gevoelen, moeten niet afnemen in hun geloof en in hunne godzaligheid, maar daar in dagelijks vorderen om tot de volmaaktheid , zoo veel mogelijk, te geraaken.

God eischt een' ftandvastigen ijver, een vast geloof, een ftandvaste godvrucht. Wie volharden zal ten einde toe, zegt hij daarom (*), die zal zalig worden; en indien iemand zich onttrekt, mijne ziel heeft in hem geen behaa" gen (t), ja, aan geene anderen dan aan hun, die getrouw zijn tot den dood, belooft hij de kroon des levens (§).

De godvrucht is een leven, zij is het geestelijk genade-leven. Dit leven moet dan aanhoudend wezen, even als het natuurlijk leven, 't welk van het begin tot het einde duurt. Daar konnen wel eenige zwakheden tusfchen beide komen, maar dit zijn toevallen, welke voorbij gaan,en niet beletten, dat de levenswerkzaamheden welhaast weder haaren ouden gang gaan. Even zo kan 'er wel eens eenige verhindering komen in de heiligheid der godvruchtigen, maar dit heeft geenen langen duur, en de wederbaarende Geest, welke altoos in hun, als een levensbtginfel, woont, doet hen weldra de werkingen der heiligmaaking hervatten. — De godvrucht is eene reis van de aarde naar den hemel, — des moeten

Wij

(*) mth. XXIV: 13. (t) Uebu X: 38. (§) Qpenb. II: 10.

III. UÜIiJ.. H

Sluiten