Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 61 )

van deze boosdoenderen verdienden wel degelijk zulke voorbeeldige ftralfen. Maar dat de vroonien bloot ftaan voor dezelfde en nog grooter rampen; dat de rechtvaardige habel door zijnen broeder wreedelijk doodgeflagen worde; dat de eerbare en kuifche jozef in boeien geworpen worde; dat david, die man naar Gods harte, duizende vervolgingen van s a u l moet ondergaan; dat de heilige j oanVes, de Dooper , door een' fcherprechter onthoofd worde; dat paulus, dat uitverkooren vat, alle de rampen der zee, alle de fmaadbeden der aarde moet doorsvor-

f^elen: dit fehijnt in de daad niet redenliik te zijn, en

deze vreemde handelwijzen fchijnen niet te ftrooken, met Gods hoogfte rechtvaardigheid, waar door hij alle zijne daaden in de" fchaal eener volmaakte billijkheid moet afwegen.

Bij deze beledigingen van 's menfchen verftand, voegt

zich vervolgends de ergernis van hun geweten; men kan zeer bezwaarlijk gelooven, dat Gods liefde kan famen gaan met groote bezoekingen; de groote rampen toch fchijnen hun blijken te zijn van 's hemels toorn en ongenade. Zij befchouwen de ellendigen als menfchen, die van God verlaten zijn en geen deel meer hebben in zijne eeuwige befcher-

mitigem Gelijk gideon , de rampen van zijn volk

Ziende, zich niet kon verbeelden, dat God met hem ware, hoewel de engel des Heeren hem daar van verzekerde , maar uitriep: Ach, zo de Heere met ons was; waarom zou dan dit alles ons wedervaren ? (*) Zo gaat het ook met den Christen, wanneer hij de tegenheden, als eenen ftroom, op zijne Medechristenen, op zijne Kerk ziet aanvallen, als dan heeft hij veel moeite om te begrijpen, dat God waarlijk voor haar zij en zich haare belangen aantrekt. —— Eindelijk bij alle deze beroeringen van het verftand en 't geweten, voegen zich de zwakheden, de vreeze en angften van vleesch en bloed, welke de allergevaarlijkften zijn. In de daad , het vleesch, 't welk natuurlijk teder is en deszelfs rust en gemak zoekt, heeft onbedenkelijk veel werk om het kruis te dragen, om gal en edik te drinken, en zich aan de geesfeiflagen der tuchtroede bloo ue ftellen. „ Hoe, zegt , het vleesch, zoudt gij zulk eenen aanhang willen volgen, ' welke de geheele wereld verlaat, en die alle de overige " menfchen tot vijanden heeft? Zoudt gij hardnekkig willen „ blijven in een klein fcheepken, 't welk door ftormen en „ onweeren geflingerd wordt, waartegen de winden en de

» zee

{•OlWht. VI: 13.

H ?

Sluiten