Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 6l )

„ zee famenfpannen , en dat op het punt is van te vergaan ? „ Zoudt gij dan altijd willen zaaien op eenen akker, alwaar „ niets groeit,'t welk niet van bloed en traancn doorvocbtigd „ is, en daar men niets dan doornen en distels maait? — De wereld is een veel aangenaamer grond, waar op gefladig eer, rijkdommen en wellusten bloeien , aldaar vindt „ men een land, vloeiende van melk en honig, van lieflijk,, heden en vermaaken." — Helaas! zulke gedachten hebben maar al te veel kragt, om te maaken, dat de menfchen vertraagen, jesus christus den rug toekeeren, een tegenzin in zijn euangeli krijgen, en in de belijdenis zijner waarheid den moed verliezen.

Zij, die zoo redenen, hebben echter een verkeerd denkbeeld van de verdrukkingen en rampen dezes levens ■ Zij befchouwen ze niet als Vaderlijke kastijdingen — als beproevingen des geloofs, als middelen om ons van de wereld te trekken, en naar den hemel te doen verlangen.

Zij, die dit bedenken , zullen door de verdrukkingen en rampen niet vertraagen in hunnen godsdienst, maar veel eer lustig, rustig in denzeiven volharden. — Moeten ze doch om de eer van hunnen Veilosfer lijden, zij achten het zich een eer, om in dezen hem gelijkvormig te worden, indien het eene eer is voor een' onderdaan met zijnen Vorst te lijden en met zijnen Koning krijgsgevangen gemaakt te zijn; bereken dan eens, welk eene eer het voor een' Christen zij, met zijn' God, met den grooten Koning der Koningen mishandeld te worden , en agter hem uittegaan om zijne fmaadheid te dragen! — De verdrukkingen zijn ooit zekerlijk tot heerlijkheid der waare Christenen, nadien dezelve, gelijk de Apostel zegt , in hun voordbrengen een gantsch zeer uitnemend, eeuwig gewigt van heerlijkheid. (*) Deze moeielijke, ongebaande en hobbel-

agtige weg leidt de gelovigen tot het eindperk vol vermaaken en oneindige genoegens: even als de woestijne der Jsraèliten, welke, hoe dor en akelig dezelve was, nog* thands den weg baande tot het beste land van het heelal , tot een land vloeiende van melk en honig. Hoe heerlijk is het dan, op zulk een' weg te wandelen en daar op dagelijks voord te gaan ; nadien men langs denzeiven tot het toppunt der heerlijkheid geraakt , en wel van eene heerlijkheid gelijk aan die van God zelve, om alzo voor eeuwig een deelgenoot van zijne heerlijkheid en vreugde te zijn.

Laat

(O 2 Cor. IV: 17.

Sluiten