Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 68 )

Kerk aan een fchoolgeleerd ftelzel verbinden, die alles, wat daar mede niet overeenftemt , ketcersch noemen, en met fcheldnaamen, die bij hen voor bewijzen gelden, verachtelijk verwerpen.— Een fchrander Remonflrant zal zelf gaarn bekennen, dat de hervormde Leer door de Helling van algemeene aanbieding, in het ftuk van algemeene genade, tegen die der Remonflranten des te fterker kan ftaande gehouden worden. — Doch de genoemde ijveraar is te blind om dit verband te zien, en te doldriftig, om voor redenen vatbaar te zijn.

Waar heeft ook die Prediker immer gelezen, dat 'er zulk een hooggaande trap van droefheid of wanhope vereischt

worde, eer men tot christus mag komen? fpreekt

hij zo , dat getrouw woord , dat woord aller aanneming waardig, dat jesus christus in de wereld gekomen is, om zondaars zalig te maaken, niet tegen ? — waar heeft hij ooit geleerd, dat 'er zulk eene mate of trap van droefheid vereischt wordt, eer men tot christus mag komen ? — Is de droefheid over onze zonde niet groot genoeg als ze ons zeiven recht walgelijk en het bloed van christus voor onze ziele begeerlijk maakt? — maar neen, de menfchen moeten waiihoopend worden eer zij tot christus mogen komen. — Dus moeten, volgends dezen raad, zij die de wet gefchonden hebben, daar te boven het euangeli nog te niete doen. Het geen de H. Geest een getrouw en aller aanneminge waardig woord noemt, moeten zij aanzien als eene ongerijmde gevaarlijke onwaarheid en atzo God tot eenen leugenaar maaken.

Wij beklaagen de verregaande blindheid omtrend het euangeli van znlke Leeraaren. — Zij zien niet, hoe een zondaar voor God , zo lang hij Hem als een vertoornd Rechter aanmerkt, zal wegvlugten — maar dat hij tot een verzoend Vader in christus zal durven naderen. Indien ze dit bezeften, zij zouden geen wanhopige maar vro1 jke Christenen maaken. Hoe veel dezulken ook van hunne bevindingen mogen verhaalen, welke bijzondere wegen zij ook mogen bewandeld hebben, indien ze bij dergelijke wettïfche leidingen volharden, toonen ze de kragt van het euangeli tot heden noch te kennen, noch te gevoelen; zij zijn gevaarlijke Leidslieden — en zullen wel Dweepers maar nimmer vrolijke Christenen maaken. — Misfchien heeft de bedoelde Leeraar meer fmaak in de werken van j. c, appelius, dai in ons Weekblad; maar ook die man

fpreekt

Sluiten