Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 70 )

luidkeels getuigenis van de heerlijke waarheid, voor welke ik nu pleite.

Zaccheüs was een Overfte der Tollenaar en het is ten boojft* waarfchijnlijk, dat hij niet de mulle onrier de Afknevelaars was. Zijne bediening was onder zijne nabuuren verfoeilijk , zijn Characïer ongebonden en zijn gezelfchap aanuootehju. Dat deze bediening verfoeilijk was kan niemand in twijfel trekken. Dat zijn CharaSer ongebonden was, blijkt hier uit. Het ambt van Overfte der Tollenaaren was dat, welk geen zoon van abraham, die met zijne agting verloren hadt; geen Jood, welke niet van een overgegeven fchaamteloos Characïer was , wilde aanvaarden. En dat zijn gezelfchap aanftootelijk gein werdt, is klaar uit die ftraffe aanmerking, welke om trend het gedrag van jesus gemaakt werdt, toen hij zich verwaardigde een gast aan zijne tafel te worden. Zij murmureerden , zeggende , hij is tot eenen zondigen man , een onwaardig eerloos fchepzel, ingegaan , om te herbergen. (*) Maar niet tegenflaande het onwaardig Characïer of gedrag van dezen Joodfchen Tollenaar , wordt hij geroepen en op ffaande voet bekeerd. Geene hoedanigheden, als voorgefchiktheden tot vergeving, worden 'er gemeld. Heden , zonder eenige voorafgaande voorbereiding , is dezen huize zaligheid gefchied. En voor dat onze Heer deze genadige woorden uitboezemde, haastede Zich za cc heus, kwam van den boom af en ontving hem met bhjdfchap. Zaccheus geloofde derhalven in christus, hij vertrouwde, dat hij ook voor hem was de algenoegzame Zaligmaaker.

De bekeeriug van de Samaritaanfche Vrouw (f) is een voorbeeld, welke zeer tot ons oogmerk dient. , Deze leefde in onkunde wegens den waaren God en zijnen dienst, en in het fnoode bedrijf van hoererij, tot dat zij, door eene aanmerkelijke genadige voorzienigheid , onzen Heer ontmoet. Hij maakt zich zeiven aan haar bekend. Zij gelooft in hem, belijdt haar geloof in hem en ontvangt, bij gevolg, die vergeving, welke bij hem is. En wij kunnen niet onderftellen, zonder geweld aan reden en fchriftuur te doen, dat jesus haar aanmerkte als voldaan te hebben aan eenige voorwaarden, of eenigerhande bedingen, welken zij ook zijn mogen, volbragt te hebben, die haar bevoegd

CO Luc. XIX: 7. (tJ Joon. IV.

Sluiten