Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 77 )

re omhelzen ; doch ook zo ver hadt de drank ziine verbeelding niet moeten bemeesteren. — loth noch zijne Dochters zijn hier van zonde vrij te pleiten. Maar de Heer niemeijer gaat over dit geval waarlijk al te ver. Hij boezemt niet flegts de verfoeilijkfle denkbeelden tegen htt zedelijk Character van lotus Dochters in, maar geeft van ter zijde te kennen, dat lotus Dochters haaren Vader moeten gekend hebben voor eenen man , die van vleeschüjke wellusten niet zeer afkeerig was. Maar ik geef elk onbevooroordeelden in bedenking, of het oogpunct, waar in niemeijer dit geval beziet, wel ten vollen van alle parcijdigheid geheel bevrijd zij ? Verre zij het van ons, dat wij de daad van loths Dochters zouden verfchoonen; — neen, zij zondigden zwaar, —— maar was de vleeschlijke wellust wel de voornaame drijfveer? Die den tekst inziet, zal klaar bemerken, hos begeerte naar kinderen en een vooruitlopend wantrouwen, dat zij de gelegenheid tot trouwen niet ligt zouden vinden, haar tot dien flap bewogen, loths Dochters moeten zich ook onder de Sodomiten zeer zorgvuldig en zedig gedragen hebben, anders was het gezegde van loth, dat zij nog maagden waren, door hun op eene geheel andere wijze beiindwoord geworden? — En wat loth zelf aangaat, was hij zulk een mensch geweest , als niemeijer. hem doet voorkomen, zeker dan behoefden zijne Dochters hem niet dronken te maaken , altans zou de Heere God zich zoo zeer aan zijne behoudenis niet hebben laten gelegen leggen: — 't is waar Gen. XIX: 29. zegt moses, dat God aan abraham gedacht, toen hij loth uit So* dom uitleidde; doch dit doet geensfms , hoe niemeijer. dit mag aandringen , te kort aan loths godvrucht. — Het gedenken aan abraham ziet op het gefprek Gods met dien Aardsvader Gen. XVIII: 23 en vervolgends; en dient dus veel eer tot roem van loth, die als een rechtvaardige van God erkend en uit Sodom uitgeleid werd. — Intusfchen houden wij de bloedfchande van loth voor eene groote zonde; laat hij al dezelve uit onkunde , in bedwelming zijner zinnen, begaan hebben, zo is het nogthands eene onkunde, die hij hadt kunnen en moeten vermijden. De herhaaling van zijne onmatigheid verzwaart zijne misdaad; en wel te meer , als men overdenkt , dat dit gefebied is in eenen tijd, toen het ontzachlijk oordeel van God over de Sodomiten hem nog in een versch geheugen moest zijn, zo is 'er weinig tot zijne verontfchulK 3 di-

Sluiten