Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 78 )

diging bij te brengen. ■— Evenwel, daar loth, wat bet heerfchende zijner levenswijze betreft , een vroom man zij geweest, mogen we hem , om die ééne zonde , niet als een deugdniet kenfchetzen. — Indien zulk een befluit door in g, dan zou volgen , dat niemand vroom mag heeten, die door 't een of ander geval in eene ergerlijke zonde valt; doch niemand zal vastftellen , dat die regel proef houde in het beöjrdeelen van iemands zedelijk character; te minder kan dit bier omtrend loth plaats hebben , als men zich den geheelen toeftand der zaken, zo als die gebeurdenis gefchied is, levendig in alle zijne omihndigheden voor oogen Helle.

Laat mij nu nog iets omtrend loths heflaan u mededeelen , ten einde deszelfs befchuldigers befchaamd mogen worden.

petrus tekent ons loth als een rechtvaardig man met eene rechtvaardige ziel. — Hij noemt hem dus, om zijne overheeifchende zielneiging , tot alles wat recht en Code behaaglijk was , uit te drukken — hij noemt hem zoo in nadruk, om dat deze zijne gezindheid allerkenlijkst naar buiten openbaar wierd , en hem van zijne Land- en Stadgenooten op eene zeer uitnemende wijze deed onderfcheiden zijn in alle zijne daaden.

Deze rechtvaardige Man woonde in het godloos Sodom,

waar geen tien rechtvaardigen gevonden werden en

daar, zegt pet kus, kwelde hij dagelijks zijne rechtvaardige ziel, door het zien en hooren van deze engerechtige werken zijner Stadgenooten; — zijn heilig gemoed wierd daar door heen en weder gefchokt, geflingerd en als doorfneden — en wanneer wij hier bij vergelijken dat petrus van loth in het voorige vers zegt, dat hij vermoeid was van wegen den ontuchtigen wandel der gruwelijke menfchen, dan wijst het ons aan, hoe gebukt en gebogen, hoe fterk, ja geheel afmattende de aandoeningen van zijnen geest daar over geweest zijn. Zie

hier het vroom beftaan van loth. Was hij niet godvruchtig geweest , hij zoude zijne ziel niet gekweld hebben , over het zien en hooren der godlooze daaden van Sodom. *—■ Of kon 'er waare eerbied voor God plaats hebben , zonder dat men zijne ziel kwelle, wanneer men ziet, dat aan het Opperwezen alle fmaad word aangedaan, dat zijne wetten gefchonden, zijne zegeningen misbruikt, zijne ftraf-

fen niet gevreesd, maar als uitgetart worden? Die dit

zou wilfen beweeren , van dien wilde ik gaarn hooren ,

waar

Sluiten