Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betrachting van 's Heeren «rij, om nfttog en verlosung uw ziine nooden om recht tegen zijn.; vijanden en uitkomften , Gode heerlijk hem heilrijk; eindelijk ook van blijden lot en dank , in 'pief.-1- seloften 't Is echter met onvoegzaam, dat fommigen alles, hoe ruim en uitgebreid het wezen moge, tot drie voorname hoofden bnngen, dankzegging , gebeden en betwtingen, waar onder zij alles meenentekunnen.be. trekkelijk maaken. Daar benevens heeft men opgemerkt , dat, hoe de dichter zijne rede keert eti wendt, hij toch overal het woord van God verheft, ja zodanig,dat er bijna geen vers in 't gantfche ftuk te vinden is, daar de lof van het Woord des Heeren, onder de ééne ot andere benaammg, op de ééne of andere wijze, niet inkomt. . Waarvan zij alleen één paar verfen willen hebben uitgezonderd. (*)

Intusfchen kwellen wij ons zeiven niet, en willen den vrijen geest des Dichters geen geweld aandoen, door zijnen zang te dwingen om zekere willekeurige form en gedaante yan orde, fchikking en plan, in deelen en onderdeden, aan te nemen. Zulk een angstvallig en gedrongen i.i.pperwerk, hoedanig menig gedicht der oudheid misvormde gedoogt onze Dichter niet. Wij befchouwen zijn geheel hedebuetd, alle zijne gezegden even gelijk de meeste J^uicen van s alomo, als losfe paerlen, als korte, zinrijke en icherpzmnige fententies, waarin doorgaans on^meene kragt en veel WiWeid iteekt. Doch met dit onderfche.d,dat, daar deze als een wiisge^c fpreekt.een werk van vernuft en Imaak lc.injtt, en allerlei lesfen geeft tot befchaving des verftands, tot opfchrandering des oordeels, en tot verbetering van zeden van allerlei ftand van lieden, onze Dichter meer eenvouwig, als een beoefenend Godgeleerde , zijn eigen ondervinding ett betrachting van de kragt der godvrucht fchetst, en den lof des Heeren en zijnes Woords, tot aanprijzing en veraangenaaming van dezelven, wil vermelden.

En gelijk salomo zijn' ftsjJ naar den aart van zijne ftofwijslijk heeft ingerigt, verfierd met alles wat de kunst, in dat.vak vormogt: zo voert onze Dichter, overeenkomftig met de natuur van zijn onderwerp, de onopgelierde taal der ftichting,-zo nogthans, dat wij , te midden vau <f Met. dieplte eenvouwigheid, de hand des kunflenaars duidelijk bemerken. Gelijk ftraks nader blijken zal.

C») Vs. 84, en IS2. En wat? al was 'et nog een paar andeten bij f L 2

Sluiten