Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 84)

Wie de Maaier van dit ftuk zij, wordt noch in het opfchrift, noch ergens elders, uitgedrukt, maar voor zoo veel wij den ftijl van david uit zijne o*erige Pfalmen hebben ieeren kennen, zoo twijfelen wij niet, of elk deskundige zal zijn zeer kennelijke hand ook hier vrij klaar ontdekken Zijne taal is overal van 't beain tot het einde blijkbaarer voor ons dan zjöé ftem voor Koning saul, was, in de woestijn,' daar Bïj hem vervolgde (*). ««"ju, Hierom achten wij 't zelfs onnodig, ons in het breede te beroepen op de fpreekende charaeters, welke, ons in den geheelen loop des inhouds voorkomen, en op niemand beter paslen, dan op den godvruchtigen Zoon van is ai. Hij was juist die man, welke in dezen gantfchen /J/*/«.fpreekende voorkomt, die knegt des Allerhoogften, die eerbiedige tedere, en ijverige liefhebber des Heeren en zijnes Woo'rds die zeer geoefende en beproefde leerling in 's Heeren KruisSchool, die ernftige aanroeper van zijnen naam, die groote geloofs-held, die gemeenzaame vriend van God die uitmuntende zanger, wiens klaagliederen en vreugdegalmen zich, hetgeheele bock der Pfalmen dóór, beurt om beurt zoo aangenaam verwisfelen (f).

En niet alleen herkennen wij den man naar Gods harte uit zijn werk, uit zijn kcnmerkeüjken ftijl, zijn voortreffelijk character, en zonderlinge lotgevallen, maar wij zien zelfs handtastelijke blijken, dat zijn waarlijk oorfproiigJijke geest die hem eenen van de grootfte dichters, helden, koningen! leeraars, propheten, der Hebreen maakt, deze vroegrijpe vrucht, dit puik van edel vernuft en manlijke godvrucht moet hebben voordgebragt in zijn' prilften en besten leeftijd, toen hij nog versch was van de blanke onfchnld van het nuttig herder leven , onbefmet van naderhand opgekomen vlekken en vroeg beproefd door dapperheid,beleid, en deugd onder alle de gevaaren van het fnode Hof en den moeielijken dienst van s a u l , dien harden dwingeland. Zie daar den Tijd en de Gelegenhetd. Wij kunnen wel geen bijval geven aan MiciiAël 1 s en anderen, die deze vraag :

Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? als een eerfte bewijs hebben aangevoerd , ten betooge , dat david dezen PI alm in zijne jeugd hebbe opgefteld. Want

vvaar-

(♦) 1 Som. XXVI: 1?.

Ct) De tegenwerpingen van den voorgemclden H. c. laaten wij aan 't oordeel van den Lezer. '

Sluiten