Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 8f5)

«<r gemoeds - beftaan, 't welk hij daarin gehouden heeft* Wel is waar, hij zegt:

Vap ouds heb ik geweten van uwe gerichten , en elners roept hij klagend uit,

Hoe veele zullen de dagen uwes knegts zijn ? Welk een en ander beter fchijnt te ftroken met klimmende jaaren, dan met den bloei des levens. Dan deze bedenkingen zijn van dat belang niet, dat wij ons daarmede behoeven op te houden. Staan wij liever met bewondering ftil, bij de zoo groote voorderingen, welken hij zoo vroeg in de heüigmaaking verkregen hadt , voorderingen, die hem de eer van alles aan God deeden geven en aan het woord zijner genade.

Een onderwerp, zoo groot en buitengewoon, verdiende met alle recht door een jchoon gedicht ter eeuwigdurende gedachtenis bewaard te worden. En wie zal aan dit lied den lof van Schoonheid durven ontzeggen ? Wij ftellen echter deszelfs fchoonheid niet zoo zeer in de verhevenheid van zijne poëzij, maar in die bevallige vloeibaarheid en tedere gevoeligheid, welke onzen Dichter zoo eigen zijn, vooral wanneer hij zijne bevindingen en godvruchtige werkzaam, heden bezig is te bezingen, waarvan zijn volle dichtader hier meer dan ergens elders mildelijk overvloeit.

Meermaals verheft zijn verheven en ftoute ziel zich als een hooge zee met bruifchende golven, of gelijk een fnelle en fterke ftroom, die ons met hun grootsch gedruisch en vreeslijke kragt, verbaasd doen ftaan: maar hier vloeit hij gelijk eene zagte en ftille, doch diepe beek, welker wateren helder als kristal, frisch en heilzaam als uit de beste levensbron, met een lieflijk gemurmel, henenvlieten.

Zoo groot hij was in heldendichten, zoo groot was hij ook in liergezangen, tot welke laatften deze Pjalm gebragt moet worden, of wel tot de maschals (*> Men kan derhalven , dat grootfche hier niet verwachten , het welk zich in zijne beste proeven van hooger dichtkunde (f) , waarin hij zijn uitnemend kunstvermogen aan zijne Godfpraaken, aan Zijne krijgs-gezangen, aan overwinningen, nederlagen, veroveringen , zegevierende optogten, en andere groote zaken, te koste legt; neen, maar alles is hier malsch, louter ftichting voor 'tgemoed, in gemeenzamer lier- dichtmaat van een abc lied voorgefteld, hoewel ook niet ontbloot van overheerlijke fchoonheden en fijne trekken van dichterlijk vernuft.

Maar

CO EF^Ö. Ct) Pf'li» XVIII. en LXVI1I.

Sluiten