Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 87 )

Maar Prophetifctie verrukking en Poëtifche hoogdravendheid voegen zich bezwaarlijk naar zulke acrostichides (*). Doch* onder alle de a b c liederen , gelijk men ze gewoonlijk noemt, omdat ze op den leest van het Alphabet gefchoeid zijn, is het onze gewis het merkwaardigfte, niet alleen wegens zijn inhoud en uitgebreidheid, maar ook om zijne wijze van uitvoer in 22 evenredige zangen, naar het getal der Hebreeuwfche letters.

Elk van deze zangen belïaat uit een gelijk getal van 8 verfen, en ieder vers van ieder achttal begint met denzelfden letter. De 8 eerfte verfen allen met Aleph, de 8 volgende alten met Beth, en zoo verder tot den laatften letter toe» Iets het welk in de overzetting, des noods, ligt gevolgd] kon worden. Bij voorbeeld, Allergelukkigst zijn de opregten van wandel — Allergelukkigst, die zijne geiuigenisfen onderhouden —m Al wie geen onrecht doen —

Alle uwe bevelen (Heer!} hebt gij ons, ter bewaring.

aanbevolen. Ach dat mijne wegen gericht wierden —— Als ik op alle uwe geboden lette, dan wierd ik niet befchaamd. Als ik uwe rechten geleerd zal hebben, zal ik u loven. Ai verlaat mij niet al te zeer: ik zal uwe inzettingen bewaren. En zoo vervolgends.

Hier benevens is het, zeker, ook niet zonder kunst en vinding, dat de Dichter in een ftuk van i;6 verfen, bijna van vers tot vers, onder de eene of andere benaming, en op de eene of andere wijze, tot lof van Gods woord blijft fpreken, gelijk wij boven gezegd hebben, en nogthans, in deze eenzelvigheid van ftof, eene zoo geduurige verandering en aangenaame verwisfeling van denkbeelden weet in te voeren,. dat geen twee verfen zich immer gelijk zijn. Iets, het welk eene zonderlinge kieschheid , nauwkeurige oplettendheid, ruimen overvloed, en groote vrijheid van woorden en gedachten , te kennen geeft. — luther (t) verheft hem, deswegen boven alle de Ouden. Geen cicero, demosthenes, noch virgilius was, meent hij, zoo welfprekend. Dit is zeker, dat gelijk hij elders voor homerus, pindarus, horatius, zoo hier voor theognis en phocylides, noch, om ook iemand van laater eeuw te noemen , voor petrarcha niet behoeft te wijken.

Wat

(*) Amyraldus heeft de redenen hiervan uitvoerignagefpoord. In Argumento hujus Pfalmi p. 683,684, Paraph, in Pfelmos. (f) In zijne Ditehrede.

Sluiten