Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 122 )

Vraagt iemand: waarom ging jesus thands na dien berg — waarom nam hij Discipelen mede — en waarom juist die? Hij ging meermalen des nagts op eenen of anderen berg om te bidden. Het was ook nu nagt, want zo kan men begrijpen, hoe de Apostelen, gelijk lucas berigt, in jlaap zijn gevallen. — jesus ging dan ook nu derwaards om te bidden. Daar zijne Jongeren insgelijks gewoon zullen zijn geweest, dat hij fommigen van hun mede nam, zal het hen ook thands niet bevreemd hebben, dat hij begeerde , dat

eenigen — van hun met hem gingen. Dat de rede,

Waarom christus, petrus, johannes en jacobus medenam ,deze geweest is, dat zij het eerst tot het Apostelfchap zijn geroepen, hebben eenige Geleerden (*) gefield. Of dit doorgaat, waar aan anderen wel heel zeer twijffelen, onderzoeken wij niet. liet is ons genoeg — jesus beminde hen boven anderen, en nam hen meermalen in bijzondere gevaijen (f) mede.

Terwijl dan jesus met hun op den berg was, — terwijl hij bad — en zij. (liepen (§) werdt hij 'van gedaante veranderd , gelijk de Apostelen bij hun ontwaaken zagen, als wanneer zij ook moses-en elias bij hem ontdekten, volgends lucas berigt.

Wij moeten ons geene valfche gedachte vormen van die gedaante- verandering. De Euangelisten zelve berigten ons waarin zij bedond. Zijn aangezigt, 't welk anders gelijk dat van een ander was, blonk thands gelijk de Zou. Zijne kleeding (zo als 'er eigenlijk is bij lucas) was — blikfemend wit, — was volgends marcus wit, gelijk fneeuw volgends mattheus wit, gelijk het licht. — Dit een en ander Hemt juist met elkander over een. — De witheid de; kleeding is hier wit met een gouden gloed — een gouden weerfchijn. Zodanig is het licht — de blikfem -— ook de fneeuw, vooral wannéér de zonneflraalen daar op vallen.

— Zijn aangezigt was nog glansrijker - het was ah de Zon.

— De kleeding kon men nog eenigen tijd aanfehouwen'; maar de glans van zijn aangezigt kon niet verdragen worden', even zo min als het menfchelijk oog de draaien der Zon kan verduren. — Dat de Engelen, wanneer zij op aarde verfchijnen , ook in die gedaante voorgedeld worden, is bekend : zo lezen wij van de Engelen die veifchenen bij .... '•• j6-

— (O Intcr alios H e u m a N N.

" Tt) Matth. XXVI: 37. en Mare. V: 37. CS) Luc. IX: 32.

Sluiten