Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 130 )

goedheid Iaat toe, dat wij een gedeelte onzer genegenheden fchenkeu aan die perfonen en dingen, waar in eene kragt is, flezelve te verwekken. Maar hii verbiedt ons, hun zo veel van onze genegenheid op te offeren, dat de liefde jegens hem en onzen ,naasten daar door verzwakt kan worden , moetende dus onze liefde tot de wereld fteeds onder de gehoorzaamheid der liefde tot God blijven. — De verlochening der wereld fluit dus geensfins de bezitting en het gebruik der wereld buiten. Zij noopt de Christenen niet, de wereld te verlaten , en zich .van het genot der dingen en perlbnen, hun aangenaam, te berooven. Zij is te vrede, tranraeset wij ons, met het geen onze wereld is, door zulk eenen band flegts vereenigen, die door de kragt der liefde tot God altijd ontbonden kan worden. — De voorbeelden, die wij van deze verlochening in de gewijde fchriften aantreffen, bevestigen ons gezegde, abrahams wereld was zijn isaSk; hij omhelsde hem als den Zoon der belofte, als den Vader van een groot volk, als den fchat, dien hij bezat. Heeft de Heer ooit deze liefde gewraakt? Maar de wijsheid des Allerhoogften wilde hem den nakomelingen als het voorbeeld der waare verlochening voordellen. Hierom beval hij hem zijn lieffle pand te offeren, abraham is gewillig om dit bevel te volbrengen , en de Heer vergenoegt zich met deszelfs wil. Het offer zelfs was tot Gods oogmerk niet noodig. De nakomelingfchap konde reeds uit den wil van te offeren, dat geen leeren, wat abraham haar leeren moest. — Men ziet dan uit deze verwonderensw aardige gefchredenis: — abraham beminde zijnen Zoon zó, dat de liefde tot God, die zijn geloof bij hem wrocht, nogthands fteeds magtiger bij hein bleef, dan de liefde der natuur; andersfins toch hadt hij nimmer in den ftrijd des gefoofs en der natuur, welken de godlijke wil in hem verwekte, kunnen zegevieren. — En hier uit vloeien deze gevolgen: — vooreerst tot de verlochening is niet nodig, dat men zijne ziel van alle liefde tot de wereld en aardfche dingen zuivere; en even zo min is het daarom niet nodig, dat men de perfonen en dingen, waar mede zich de uitwendige mensch vermaakt, te eenemaal laat varen. Genoeg is het, wanneer men de aardfche liefde onder de gehoorzaamheid der godlijke gevangen houdt, en zijn hart zó bereid, dat het in het verlies der wereld, die het bemint, bewilligen kan, wanneer ze de Heer van ons vordert. — Ten anderen: het is voor hun , die zich aan het beftuur der godlijke genade overgeven, mogelijk, aan de liefde tot aardfche dingen

eene

Sluiten