Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(*I)

eene plaats in hun hart in te ruimen, maar 't daar bij te beletten, dat deze liefde 't hart ter aangenaame beleeving van Gods'wil onbekwaam maake. De Hebreen, aan wiep paulus één van zijne brieven heeft gefchreven, verzaakten ongetwijfeld de wereld, toen zij der prediking des Euangehums gehoorzaam wierden. Dit verhinderde hen niet , de goedereu te behouden, die zij bezaten, en als middelen van hun tijdelijk geluk, in een zeker opzigt te beminnen. Zij bewaarden dezelve, tot dat ze 'er door de vijanden des geloofs van beroofd wierden. Maar zouden zij ze bewaard hebben , wanneer zij dezelve voor niets, dan voor lastige en onnutte goederen, gehouden hadden ? Inmiddels regelden zij hunne ziel zo, dat zij het ongenoegen, dat de berooving hunner goederen veroorzaaken moest, om dat zij ze beminden, verdragen konden; dat is: zij matigden hunne liefde tot de wereld, door de liefde tot God en de hoop op de toekomende wereld, zó dat zij het hart niet vervullen en overvveldigen konde. — Zij lieten, let wel, hunne goederen met geweld rooven, des hadden zij ze liever behouden; maar nu ze of de liefde jegens God en het geloof, of de liefde tot hunne fchatten moesten verzaaken, verdroegen zij den roof hunner goederen met blijdfchap. — Dezen lof geeft hun de Apostel", gij hebt (zegt hij) den roof uwer goederen met blijdfchap verdragen, ah wetende, dat gij bij u zeiven een beter en blijvend Goed hebt in den hemel (*). — Wondere taal! dat hier de vuige Eigenbaatzoeker blooze! .

Gij hebt den roof uwer goederen met blijdfchap verdragen. „ Gij hebt de fmerten , die gij ondervondt, toen de vervolger u, wegens uw geloof, van aardfche goederen beroofde, door het geloof zó weten te matigen, dat niemand van u zijne goederen, door de verlochening van jesus christus, heeft willen koopen , en hebt tevens uwe zielen, door de bevinding der genade, die u dezen moed inboezemde, en door de hoop op de toekomende heerlijkheid tot blijd. fchap opgewekt."

Deze leer , nopens de verlochening der wereld , lijdt inmiddels in twee gevallen eene uitzondering.

Regelrecht eischt de verloche.üng niet, dat wij de bezit' ting, V gerot en de liefde der wereld verzaaken. Genoeg, wanneer wij door 't geloof de liefde der wereld zo bedwingen, dat ze der liefde tot God onderdaanig moet blijven. — 'Er zijn zekere zielen, zo weekhartig en teder, dat

ze

C') tk'or. X: 34.

W 2

Sluiten