Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 134 )

„ tot dus verre gewoon zijn, en hoopen, dat de Godlijke „ liefde de nrslhgen verfchoonen zal,, welken wij niet kun, ,. nen verhoeden " — De waare Godzaligheid wordt met deze ontfchuldiging niet bevredigd. Veel eer legt ze ons den pligt op, dat wij de liefde tot de dingen dezer wereld, waar in 't geoorloofde met het verbodene aanhoudend vermengd is, te eenemaal opruimen, en ons van derzelver genot en bézitting volftrekt ontdoen zullen. Men mag met grond hoopen, dat des Heeren oneindige goedheid onze zwakheid, om des Verlosfers wille, ons niet toerekenen zal, zolang als zich het kwaad voor de oogen onzer ziele verbergt, het welk de levenswijze, die wij leiden, en de dingen, die wij beminnen, onzer genegenheid onwaardig maakt. Maar de hoop heeft een einde, wanneer we niet meer mogen ontkennen , dat ons onze liefde ftrafwaardig maakt. — Hoe veele veranderingen zouden onder de menfchen voorvallen, wanneer elk voornam, dezen regel op te volgen, en tot dat einde zijne levenswijze, zijne neigingen, zijne gewoonten oprecht beproefde? Hoe veele vriendfchappen zouden gefcheiden, hoe veele gezelfchappen vernietigd, hoe veele levenswijzen afgefchaft worden « Wij zullen hier niet verder in uitweiden, maar de zaak flegts door één voorbeeld der H. Schriften ophelderen. Moses, de man Gods, is de voorganger der genen, die willens zijn, zich van 'c gebruik en de bezitting dier aardfche dingen geheel te ontdoen, die niet zonder alle zonde gebruikt en bemind kunnen worden. M oses, wierdt, als een Prins van den bloede, aan het hof des Konings van Egypte aangezien. Men hieldt hem voor een' Zoon van 's Konings Dochter; men bewees hem daarom alle die eere, die met dezen ftaat overeenkwam. En hij kon zich van alle vermaaken en wellusten des Hofs ongeftoord bedienen. Waarin wordt een Heer van 's Konings huis verhinderd of belet? Moses genoot deze eer en dit vermaak zonder onrust, zo lang, als de dagen zijner onkunde duurden; zo lang, als zijne minderjaarigheid hem hinderde, den toeftand zijner levenswijze recht te beproeven en te beoordeelen. Tot dit punt gekomen zijnde, verzaakte hij dat alles en voegde zich bij een volk, dat geen fchatten en eer meer bezat, dan de kennis.van den waaren en eenigen God. Moses, toen hij groot werdt, zegt paulus (*) , wilde niet meer een Zoon van farao's Dochter genoemd worden. In een groot aanzien bij de menfchen te zijn, aan een

prach-

??) Ueir. XI: 2*. -

Sluiten